terug  begin  verderprepost
[p. 190]origineel

't Onstuimig Weer.

Om een goed heen komen.




illustratie


Zoekt den HEERE alle gy zachtmoedige des lands, die zyn recht werken: zoekt gerechtigheid, zoekt zachtmoedigheid, misschien zult gy verborgen worden in den dag des toorns des HEEREN.
Zephan-ja II: 3.

[p. 191]origineel
Wel hem, die, als de doodvlaag woed,
Een open deur vind voor 't gemoed.
 
Wanneer men 't buijig weer bevind,
 
Vermengd van regen en van wind,
 
Terwyl de guure vlaagen huilen,
 
En 't water tegens alles slaat,
 
Dan geeft zich elk van weg en straat,
 
Om 't ongemak in huis t'ontschuilen.
 
Gemaklyk Leven, dat zo wykt,
 
Van 't geen 't behaagen niet en lykt,
 
Zult gy dan nimmermeer ontwaaken?
 
Daar zo veel vingers, voor en na,
 
Ons wyzen, dat men wys'lyk ga,
 
Om geen verkeerde gang te maaken.
 
Het Zieltje woond in vlees en bloed,
 
Een Huis dat haast aan stukken moet,
 
Na wiens waarom niet staat te vraagen,
 
Wyl dat'er geen bestendig blyft,
 
Maar alle leven word ontlyft,
 
Gelyk gezien word alle dagen.
 
Eist dan de rype Reden niet,
 
Dat elk na een verblyving ziet,
[p. 192]origineel
 
Met vlytigheid van hert en zinnen?
 
Op dat, als 't Lichaam moet vergaan,
 
De arme Ziel niet bloot mogt staan,
 
Gesloten buiten 't Zalig binnen.
 
Want ziet daar komt een swaare tyd,
 
Van ongestuime Eeuwigheid,
 
Die immers diend te zyn ontschoolen;
 
Wat hielp het of't vergank'lyk vleis,
 
Hier wooning vond in een Paleis,
 
En d'arme Ziel moest eeuwig doolen.

Psalm CXIX: 114.
Gy zyt myn schuil-plaatse, en myn schild, op u woord hebbe ik gehoopt.

Jeremias XXX: 23.
Ziet, een onweder des HEEREN, eene grimmigheid, is uit gegaan, een aanhoudend' onweder: het zal blyven op den kop der godloozen.

Lukas XIII: 24, 25, 26, 27, 28.
Stryd om in te gaan door de enge poorte: want veele (zegge ik u) zullen zoeken in te gaan, ende en zullen niet konnen:

[p. 193]origineel
[Namelyk] na dat de Heere des huis zal opgestaan zyn, en de deure zal gesloten hebben; en gy zult beginnen buiten te staan; en aan de deure te kloppen, zeggende, Heere, Heere, doet ons open, en hy zal antwoorden en tot u zeggen, Ik en kenne u niet, van waar gy zyt:
Als dan zult gy beginnen te zeggen, Wy hebben in uwe tegenwoordigheid gegeeten en gedronken, en gy hebt in onze straaten geleerd.
En hy zal zeggen, Ik zegge u, ik en kenne u niet van waar gy zyt: wykt van my af alle gy werkers der ongerechtigheid.
Aldaar zal zyn weeninge en knersinge der tanden, wanneer gy zult zien Abraham, en Izaalk, en Jakob, en alle de Propheeten in het Koningryke Gods, maar u lieden buiten uitgeworpen.

Openbaaring XXII: 14, 15.
Zalig zyn ze die zyne geboden doen, op dat haare macht zy aan den boom des levens, en zy door de poorten mogen ingaan in de Stad.
Maar buiten zullen zyn de honden, en de tovenaars, en de hoereerders, en de doodslagers, en de afgoden-dienaars, en een iegelyk die de leugen lief heeft en doet.

prepostterug  begin  verder