terug  begin  verderprepost
[p. 194]origineel

Het Mooi Weer.

Dit wyst verder.




illustratie


De HEERE is myn Herder, my en zal niets ontbreeken. Hy doet my neder liggen in grazige weiden; hy voerd my zachtkens aan zeer stille wateren. Hy verquikt myne ziele; hy leid my in het spoor der gerechtigheid, om zyns Naams wille.
Psalm XXIII: 1, 2, 3.

[p. 195]origineel
Het Blikje, is een Stikje.
 
Als 't mooije weertje zich bereid,
 
En 't overblyfzel van de koude,
 
Doorbalsemd met gemaatigtheid,
 
Om de Evenaar gelyk te houden:
 
Terwyl het helder hemels blaauw,
 
Van wolk gordynen onbeschooven,
 
Niet al te heet, noch al te flaauw,
 
Het zonne schyntje geeft van boven,
 
Zo als de groene water-kant,
 
Bequaam om zacht'lyk langs te treeden
 
Met schoone boomen dicht beplant,
 
Zich helder spiegeld, na beneden:
 
Wat zegd het? Wie verstaat zyn spraak?
 
't Gemoed, dat uit het stof verheven
 
Doeld op de wezentlyke zaak,
 
Van recht genot voor 't mensch'lyk leven:
 
Die is 't een boo, van 't Eeuwig goed,
 
En zegd hem wat hy zal genieten,
 
Aan de eed'le Oorsprong dezer vloed,
 
Die in het zichtbaare uit komt vlieten.
[p. 196]origineel
 
Terwyl het ydel Werelds kind,
 
Onachtzaam door zyn dierlykheden,
 
Dien balsem in zyn gift verslind,
 
En met de koe daar door gaat treeden;
 
Zo komt hy door een hooger zucht,
 
Een edeler vermaak te vinde,
 
Ontfangende die zoete vrucht,
 
Als uit de hand van zyn beminde.

Psalm XVI: 11.
Verzadinge der vreugde is by u aangezichte; lieflykheden zyn in uwe rechterhand eeuwiglyk.

Psalm XXXVII: 3, 4.
Vertrouwd op den HEERE, en doet het goede; bewoond de aarde, en voed [u] met getrouwigheid.
En verlust u in den HEERE; zo zal hy u geeven de begeerten uwes herten.

Psalm LXXXIV: 2, 3.
Hoe lieflyk zyn uwe wooningen, ô HEERE der Heirschaaren.
Myn Ziele is begeerig, en bezwykt ook van verlangen, na de Voorhoven des HEEREN: myn herte, en myn vlees roepen uit tot den levendigen God.

[p. 197]origineel
Spreuken III: 17, 18.
Haare wegen zyn wegen der lieflykheid, en alle haare paden vrede.
Zy is een boom des levens, den geenen die ze aangrypen; en elk een die ze vast houd, word welgelukzalig.

Prediker XI: 6, 7, 8, 9.
Zaaid u zaad in den morgenstond, ende en trekt uwe hand des avonds niet af: want gy en weet niet wat recht wezen zal, of dit, of dat, of dat die beide te saamen goed zyn zullen.
Voorder, het licht is zoet, en het is den oogen goed de Zonne te aanschouwen.
Maar indien de mensche veele jaaren leefd, [en] verblyd hem in die alle; zo laat hem ook gedenken aan de dagen der duisternisse: want die zullen veele zyn; [en] al wat gekomen is, is ydelheid.
Verblyd u, ô jongeling, in uwer jeugd, en laat uw herte u vermaaken in de dagen uwer jongeling schap, en wandeld in de wegen uwes herten, en in de aanschouwinge uwer oogen: maar weetet, dat God, om alle deze dingen u zal doen komen voor het gerichte.

2 Korinthen XII: 3, 4.
En ik kenne een zodanig mensche (of het in het lichaam, of buiten het lichaam [geschied zy] en weet ik niet: God weet het.)
Dat hy opgetrokken is geweest in het Paradys, en gehoord heeft onuitspreekelyke woorden, die een mensche niet en is geoorloft te spreeken.

prepostterug  begin  verder