't Gaat uit zyn Banden.

En hy zeide tot haar een gelykenisse, Ziet den vygeboom, en alle de boomen. Wanneer zy nu uitspruiten, engy [dat] ziet, zo weet gy uit u zelven dat de Zomer nu naby is. Alzo ook gy, wanneer gy deze dingen zult zien geschieden, zo weet dat het Koningryke Gods naby is.
Lukas XXI: 29, 30, 31.
Hoogelied II: 11, 12, 13.
Want ziet, de Winter is voorby: de plas-regen is over, hy is over gegaan.
De bloemen worden gezien in den lande, de zangtyd genaakt: en de stemme der tortel duive word gehoord in onzen lande.
De vygeboom brengd zyne jonge vygskens voort, en de wynstokken geven reuk, [met haare] jonge druifkens: staat op myn vriendinne, myne schoone, en komt.
En Kapittel VII: 12.
Laat ons vroeg ons opmaaken na de wynbergen, laat ons zien of de wynstok bloeid, de jonge druifkens haar open doen, de granaatappel-boomen uitbotten: daar zal ik u myne uitneemende liefde geeven.
Jezaias XLV: 8.
Druppet gy Hemelen van boven af, en dat de wolken vloeijen van gerechtigheid: en de aarde opene haar, en dat allerlei Heil uitwasse, en gerechtigheid t'zaamen uitspruite: Ik de HEERE hebbe ze geschaapen.
En Kapittel LXI: 11.
Want gelyk de aarde haare spruite voortbrengd, en gelyk een Hof het geene in hem gezaaid is, doet uitspruiten: alzo zal de Heere HEERE gerechtigheid en lof doen uitspruiten, voor alle de volkeren.
Ezechiel XVII: 5, 6.
Hy nam ook van het zaad des lands, en leide het in eenen zaad-akker: hy nam 't, hy zettede het by veele wateren, met groote voorzichtigheid.
En het sproot uit, en wierd tot eenen weeldig uitloopende wynstok, [doch] nederig van stamme, ziende met zyne takken na hem, dewyle zyne wortelen onder hem waaren: zo wierd hy tot eenen wynstok, die ranken voort bragt, en scheuten uitwierp.
Daniel XII: 2.
En veele van die, die in't stof der aarden slaapen, zullen ontwaaken, deze ten eeuwigen leven, en geene tot versmaadheden, [en] tot eeuwige afgryzinge.
Joannes V: 28, 29.
En verwonderd u daar niet over: want de uure komt, in welke alle die in de graven zyn, zyne stemme zullen hooren.
En zullen uitgaan, die't goede gedaan hebben, tot de opstandinge des levens, en die het quaade gedaan hebben, tot de opstandinge der verdoemenisse.