terug  begin  verderprepost
[p. 210]origineel

De Winter.

Koud is de dood.




illustratie


Gy hebt alle de paalen der aarde gestelt: Zomer en Winter, die hebt gy geformeert.
Psalm LXXIV: 17.

Hy geeft sneeuw als wolle: Hy strooid den rym als asse. Hy werpt zyn ys heenen als stukken: wie zoude bestaan voor zyne koude?
Psalm CXLVII: 16, 17.

[p. 211]origineel
Is 't koud, dat doch ons hert,
Aan God niet koud en werd.
 
De Winter-tyd nu aan gekomen,
 
Ontkleed het land van groene boomen,
 
En maakt het water tot een steen;
 
Dreigd alle leven dood te nypen,
 
Wanneer hy recht komt toe te grypen,
 
En steld de dorheid algemeen.
 
Zo wy hier nevens met gedachten,
 
Haar strengheid poogen na te trachten,
 
Tot aan de naare Noorder Pool;
 
Zo hebben wy haar voor te stellen,
 
Als een gelykenis der Hellen,
 
En leeren wysheid uit dit School.
 
Wat wysheid zouden wy hier leeren?
 
Om onze gangen niet te keeren,
 
Op wegen, tot een duister Dal;
 
Zo ver van 't Eeuwig licht gelegen,
 
Dat daar nooit Zomer word verkreegen,
 
Maar daar het eeuwig wint'ren zal.
 
Die zich dan in de zoete tyden,
[p. 212]origineel
 
Van 's werelds Zomer gaat vermeiden,
 
En niet bezorgd is voor de nood,
 
Die 't onbekleede naakte leven,
 
Zo zeer doet sid'ren ende beeven,
 
Met d'aankomst van de koude dood,
 
Al is 't een schrand're geest geheeten,
 
Hier is zyn wysheid laag gezeten.

Genesis VIII: 22.
Voortaan alle de dagen der aarde, en zullen zaai-jinge, en oogst, en koude, en hitte, en zomer, en winter, en dag, en nacht, niet ophouden.

Job VI: 16, 17.
Die verdonkerd zyn van het ys, [en] in dewelke de sneeuw haar verbergd.
Ter tyd als ze van hitte vervlieten, worden ze uitgedelgt: als ze warm worden, verdwynen ze uit haare plaatse.

Psalm LXVIII: 7.
Een God, die de eenzaamen zet in een huisgezin, voert uit die in boeijen gevangen zyn: maar de afvallige woonen in het dorre.

[p. 213]origineel
Jeremias XIII: 16.
Geevet eere den HEERE, uwen God, eer dan hy het duister maake, en eer uwe voeten zich stooten aan de schemerende bergen: dat gy na licht wachtet, en hy dat zelve tot een schaduwe des doods stelle, en tot eene donkerheid zette.

Joel I: 12.
De wynstok is verdorret, de vygehoom is flaauw: de granaad appelboom, ook de palmboom en appelboom; alle bommen des velds zyn verdorret; ja de vrolykheid is verdorret van de menschen kinderen.

Mattheus XXIV: 12, 13.
En om dat de ongerechtigheid vermenigvuldigd zal worden, zo zal de liefde van veelen verkouden.
Maar wie volharden zal tot den einde, die zal zalig worden.

Openbaaring III: 10.
Om dat gy het woord myner lydzaamheid bewaard hebt, zo zal ik ook u bewaaren uit de uure der verzoekinge, die over de geheele wereld komen zal, om te verzoeken die op de aarde woonen.

prepostterug  begin  verder