Koud is de dood.

Gy hebt alle de paalen der aarde gestelt: Zomer en Winter, die hebt gy geformeert.
Psalm LXXIV: 17.
Hy geeft sneeuw als wolle: Hy strooid den rym als asse. Hy werpt zyn ys heenen als stukken: wie zoude bestaan voor zyne koude?
Psalm CXLVII: 16, 17.
Genesis VIII: 22.
Voortaan alle de dagen der aarde, en zullen zaai-jinge, en oogst, en koude, en hitte, en zomer, en winter, en dag, en nacht, niet ophouden.
Job VI: 16, 17.
Die verdonkerd zyn van het ys, [en] in dewelke de sneeuw haar verbergd.
Ter tyd als ze van hitte vervlieten, worden ze uitgedelgt: als ze warm worden, verdwynen ze uit haare plaatse.
Psalm LXVIII: 7.
Een God, die de eenzaamen zet in een huisgezin, voert uit die in boeijen gevangen zyn: maar de afvallige woonen in het dorre.
Jeremias XIII: 16.
Geevet eere den HEERE, uwen God, eer dan hy het duister maake, en eer uwe voeten zich stooten aan de schemerende bergen: dat gy na licht wachtet, en hy dat zelve tot een schaduwe des doods stelle, en tot eene donkerheid zette.
Joel I: 12.
De wynstok is verdorret, de vygehoom is flaauw: de granaad appelboom, ook de palmboom en appelboom; alle bommen des velds zyn verdorret; ja de vrolykheid is verdorret van de menschen kinderen.
Mattheus XXIV: 12, 13.
En om dat de ongerechtigheid vermenigvuldigd zal worden, zo zal de liefde van veelen verkouden.
Maar wie volharden zal tot den einde, die zal zalig worden.
Openbaaring III: 10.
Om dat gy het woord myner lydzaamheid bewaard hebt, zo zal ik ook u bewaaren uit de uure der verzoekinge, die over de geheele wereld komen zal, om te verzoeken die op de aarde woonen.