Elk is de wacht bevoolen.

Als de wysheid in u herte zal gekomen zyn, en de wetenschap voor uwe ziele zal lieflyk zyn: Zo zal de bedachtzaamheid over u de wacht houden; de verstandigheid zal u behoeden.
Spreuken II: 10, 11.
Psalm V: 4.
's Morgens, HEERE, zult gy myne stemme hooren; 's morgens zal ik [my] tot u schikken, en wacht houden.
Spreuken IV: 23.
Behoed u herte boven al dat te bewaaren is; want daar uit zyn de uitgangen des levens.
En Kapittel VI: 20, 21, 22.
Myn Zoon, bewaard het gebod uwes Vaders; ende en verlaat de Wet uwer Moeder niet.
Bind ze steeds aan u herte: hecht ze aan uwen halze.
Als gy wandeld, zal dat u geleiden; als gy nederligt, zal het over u de wacht houden; als gy wakker word, zal het zelve [met] u spreeken.
En Kapittel VIII: 34.
Welgelukzalig is de mensche, die na my hoord, dagelyks waakende aan myne poorten, waarneemende de posten myner deuren.
Prediker IX: 4, 5.
Want voor den geenen die vergezelschapt is by alle levendige, isser hoope, (want een levendige hond is beter dan een doode leeuw.)
Want de levendige weeten, dat zy sterven zullen: maar de doode en weeten niet met allen: zy en hebben ook geenen loon meer, maar haare gedachtenisse is vergeeten.
Markus. XIII: 33.
Ziet toe, waakt en bid, want gy en weet niet wanneer de tyd is.
En Vers 37.
En 't geene ik u zegge, [dat] zegge ik allen, Waakt.
Lukas XII: 39, 40.
Maar weet dit, dat indien de Heere des huis geweeten hadde in welke uure de dief zoude komen, hy zoude gewaakt hebben, en zoude zyn huis niet hebben laaten doorgraaven.
Gy dan zyt ook bereid: Want in welke uure gy het niet en meend, zal de Zoone des menschen komen.
1 Korinthen XVI: 13.
Waakt, staat in het geloove, houd u manlyk, zyt sterk.
1 Thessalon: V: 6.
Zo en laat ons dan niet slaapen, gelyk als de anderen, maar laat ons waaken en nuchteren zyn.
1 Petrus V: 8.
Zyt nuchteren [en] waakt: want uwe tegenparty de Duivel gaat om als een briessende leeuw, zoekende wien hy zoude mogen verslinden.