Tot schrik van 't quaad.

Waakt dan tot aller tyd, biddende dat gy moogt waardig geacht worden te ontvlieden alle deze dingen die geschieden zullen; en te staan voor den Zoone des menschen.
Lukas XXI: 36.
Hoogelied II: 15.
Vangd gy-lieden ons de vossen, de kleine vossen, die de wyngaarden verderven: want onze wyngaarden [hebben] jonge druif kens.
Romeinen XII: 21.
En word van het quaad niet overwonnen, maar overwind het quaad door het goed.
1 Korinthen XV: 34.
Waakt op rechtvaardelyk, ende en zondigd niet: Want sommige en hebben de kennisse Gods niet. Ik zegge 't u tot schaamte.
Kolossensen III: 5, 6, 7, 8.
Doodet dan uwe leden die op de aarde zyn, [namelyk] hoererye, onreinigheid, [schandelyke] bewegingen, quaade begeerlykheid, en de gierigheid, welke is afgoden-dienst.
Om welke de toorne God's komt over de kinderen der ongehoorzaamheid:
In dewelke ook gy eertyds hebt gewandeld, doe gy in dezelve leefdet.
Maar nu legt ook gy dit alles af, [namelyk] gramschap, toornigheid, quaadheid, lasteringe, vuil spreeken uit uwen mond.
1 Thessalon: V: 2, 3, 4, 5, 6.
Want gy weetet zelve zeer wel, dat de Dag des Heeren alzo zal komen, gelyk een dief in der nacht.
Want wanneer zy zullen zeggen, Het is vrede, en zonder gevaar: dan zal een haastig verderf haar overkomen, gelyk de barensnood eene bevruchte [vrouwe:] en zy en zullen 't geensins ontvlieden.
Maar gy, Broeders, gy en zyt niet in duisternisse, dat u die dag als een dief zoude bevangen.
Gy zyt alle kinderen des lichts, en kinderen des daags: wy en zyn niet des nachts, noch der duisternisse.
Zo en laat ons dan niet slaapen, gelyk als de andere, maar laat ons waaken en nuchteren zyn.
Openbaaring III: 2, 3.
Zyt waakende, en versterkt het overige dat sterven zoude: want ik en hebbe uwe werken niet vol gevonden voor God.
Gedenkt dan hoe gy het ontfangen en gehoord hebt, en bewaard het, en bekeerd u. Indien gy dan niet en waaket, zo zal ik over u komen als een dief, en gy en zult niet weeten op wat uure ik over u komen zal.