terug  begin  verderprepost
[p. 222]origineel

De Kat.

Tot schrik van 't quaad.




illustratie


Waakt dan tot aller tyd, biddende dat gy moogt waardig geacht worden te ontvlieden alle deze dingen die geschieden zullen; en te staan voor den Zoone des menschen.
Lukas XXI: 36.

[p. 223]origineel
De schendery, Moet aan een zy.
 
Daar 't katje woond, daar word het huis
 
Gezuiverd van de Rat, en Muis.
 
ô Huis! ô mensch'lyk huis der Zielen!
 
Wat vind m'er veel, daar gy niet zyt,
 
ô Wakk're Kat van waakzaamheid,
 
Dat nesten zyn, van 't zondig krielen.
 
Uitwendig word de haat'lykheid,
 
In 't huis voor 't vlees genoeg gemyd;
 
Men zorgd voor 't waardige en geringe;
 
Op dat noch mot noch rot verbeet,
 
Het fyne wolle en linden kleed,
 
Of schende spyze, en and're dingen.
 
Maar in de wooning van 't gemoed,
 
Daar nesteld veel van 't schaad'lyk goed,
 
Dat zich by daag wel durft vertoonen,
 
En over huis en huisraad speeld,
 
Dewyl 't den huiswaard niet verveeld,
 
Gerust by 't ongediert te woonen.
 
Maar gy die op het kleinste ziet,
 
En op het allergrootste niet,
 
Dit moer gy evenwel ook weeten:
[p. 224]origineel
 
Ziet dat de zonden Rot, in 't hert,
 
Van uwe spys zo groot niet werd,
 
Dat u de keel word afgebeeten.
 
ô Waakzaamheid, die zulks behoed,
 
Woond gy in 't huis van elks gemoed.

Hoogelied II: 15.
Vangd gy-lieden ons de vossen, de kleine vossen, die de wyngaarden verderven: want onze wyngaarden [hebben] jonge druif kens.

Romeinen XII: 21.
En word van het quaad niet overwonnen, maar overwind het quaad door het goed.

1 Korinthen XV: 34.
Waakt op rechtvaardelyk, ende en zondigd niet: Want sommige en hebben de kennisse Gods niet. Ik zegge 't u tot schaamte.

Kolossensen III: 5, 6, 7, 8.
Doodet dan uwe leden die op de aarde zyn, [namelyk] hoererye, onreinigheid, [schandelyke] bewegingen, quaade begeerlykheid, en de gierigheid, welke is afgoden-dienst.
Om welke de toorne God's komt over de kinderen der ongehoorzaamheid:
In dewelke ook gy eertyds hebt gewandeld, doe gy in dezelve leefdet.

[p. 225]origineel
Maar nu legt ook gy dit alles af, [namelyk] gramschap, toornigheid, quaadheid, lasteringe, vuil spreeken uit uwen mond.

1 Thessalon: V: 2, 3, 4, 5, 6.
Want gy weetet zelve zeer wel, dat de Dag des Heeren alzo zal komen, gelyk een dief in der nacht.
Want wanneer zy zullen zeggen, Het is vrede, en zonder gevaar: dan zal een haastig verderf haar overkomen, gelyk de barensnood eene bevruchte [vrouwe:] en zy en zullen 't geensins ontvlieden.
Maar gy, Broeders, gy en zyt niet in duisternisse, dat u die dag als een dief zoude bevangen.
Gy zyt alle kinderen des lichts, en kinderen des daags: wy en zyn niet des nachts, noch der duisternisse.
Zo en laat ons dan niet slaapen, gelyk als de andere, maar laat ons waaken en nuchteren zyn.

Openbaaring III: 2, 3.
Zyt waakende, en versterkt het overige dat sterven zoude: want ik en hebbe uwe werken niet vol gevonden voor God.
Gedenkt dan hoe gy het ontfangen en gehoord hebt, en bewaard het, en bekeerd u. Indien gy dan niet en waaket, zo zal ik over u komen als een dief, en gy en zult niet weeten op wat uure ik over u komen zal.

prepostterug  begin  verder