terug  begin  verderprepost
[p. 230]origineel

De Bok.

Niet alzo.




illustratie


Tegen de Herders was myn toorn ontsteeken, en over de bokken hebbe ik bezoekinge gedaan: maar de HEERE der heirschaaren zal zyne kudde bezoeken, het huis Juda, en hy zal ze stellen, gelyk het paard zyner Majesteit in den stryd.
Zacharias X: 3.

[p. 231]origineel
Verlaat der Bokken aard,
Zo zyt gy lief en waard.
 
Op dat wy in het groote scheiden
 
Van d'allerhoogste oordeel dag,
 
Niet met de Bok ter linker zyde,
 
Geraaken, tot het wee en ach!
 
Zo laat ons by de schaapjes houden,
 
Die luist'ren na het hemels Lam,
 
Dat by ons, in woestyn en wouden,
 
Ter rechter spoor, zo heilzaam quam.
 
Hoe is het veld zo ryk van bokken!
 
Dat wyde en breede werelds veld!
 
Elk zie uit haaren trein te rokken,
 
Wiens lust ter goede Herder held.
 
Geen hoorne bokken moeten 't weezen,
 
Die zich gezellen by het Lam;
 
De schaapjes worden uitgeleezen,
 
Ter weide, daar nooit bok en quam.
 
ô Lam, ô heilig Lam des Heeren,
 
Dat zelfs den Heer der Heeren zyt,
 
Laat uwen staf ons hert regeeren,
 
Zo worden wy tot Heil geweid.
[p. 232]origineel
 
Helpt gy ons van den bok der zonden,
 
U is de wysheid en de macht,
 
Op dat ons herte werd bevonden,
 
Een schaapje, dat uw gunst verwacht:
 
En wy aan 't eind, van 's werelds weide,
 
(Wanneer uw groote herders staf,
 
De heel vermengde trop zal scheiden,
 
De bokken van de schaapen af,)
 
Ook onder het getal der vroomen,
 
(Voor d'ingang van het zalig land,)
 
Zo zeer gelukkig, mogen komen,
 
Aan uw hoogwaarde rechterhand;
 
En voorts, gezalfd met uwen zegen,
 
Ter overzaal'ge weide gaan,
 
Daar nooit een einde word verkreegen,
 
Daar 't eeuwig in zyn fleur zal staan.

Ezechiel XXXIV: 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21.
Ik zal myne schaapen weiden, en ik zalze legeren, spreekt de Heere HEERE.
Het verloorene zal ik zoeken, en het wech-gedrevene zal ik wederbrengen, en het gebrookene zal ik verbinden, en het kranke zal ik sterken: maar het
[p. 233]origineel
vette en het sterke zal ik verdelgen, Ik zalze weiden met oordeel.
Want gy, ô myne schaapen, de Heere HEERE zeid alzo: Ziet ik zal richten tussen klein vee en klein vee, tussen de rammen en de bokken.
Is 't u te weinig, dat gy de goede weide af-wei-det? zult gy noch het overige uwer weiden met uwe voeten vertreeden? en zult gy de gezonkene wateren drinken, en de overgelaatene met uwe voeten vermodderen?
Myne schaapen dan, zullen ze afweiden, wat met uwe voeten vertreeden is, en drinken wat met uwe voeten vermoddert is?
Daarom zeid de Heere HEERE alzo tot hen: Ziet ik, ja ik zal richten tussen het vet klein-vee, en tussen het mager klein-vee.
Om dat gy alle de zwakke met de zyde, en met den schouder verdringet, en met uwe hoornen verstootet: tot dat gy dezelve na buiten toe verstrooid hebt.

Mattheus XXV: 31, 32, 33.
En wanneer de Zoone des menschen komen zal in zyne heerlyhheid, en alle de heilige Engelen met hem, dan zal hy zitten op den throon zjner heerlykheid.
En voor hem zullen alle de volkeren vergaderd worden, en hy zal ze van malkanderen scheiden, gelyk de herder de schaapen van de bokken scheidet.
En hy zal de schaapen tot zyner rechter [hand] zetten, maar de bokken tot [zyner] slinker-[hand.]

prepostterug  begin  verder