Niet alzo.

Tegen de Herders was myn toorn ontsteeken, en over de bokken hebbe ik bezoekinge gedaan: maar de HEERE der heirschaaren zal zyne kudde bezoeken, het huis Juda, en hy zal ze stellen, gelyk het paard zyner Majesteit in den stryd.
Zacharias X: 3.
Ezechiel XXXIV: 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21.
Ik zal myne schaapen weiden, en ik zalze legeren, spreekt de Heere HEERE.
Het verloorene zal ik zoeken, en het wech-gedrevene zal ik wederbrengen, en het gebrookene zal ik verbinden, en het kranke zal ik sterken: maar het
vette en het sterke zal ik verdelgen, Ik zalze weiden met oordeel.
Want gy, ô myne schaapen, de Heere HEERE zeid alzo: Ziet ik zal richten tussen klein vee en klein vee, tussen de rammen en de bokken.
Is 't u te weinig, dat gy de goede weide af-wei-det? zult gy noch het overige uwer weiden met uwe voeten vertreeden? en zult gy de gezonkene wateren drinken, en de overgelaatene met uwe voeten vermodderen?
Myne schaapen dan, zullen ze afweiden, wat met uwe voeten vertreeden is, en drinken wat met uwe voeten vermoddert is?
Daarom zeid de Heere HEERE alzo tot hen: Ziet ik, ja ik zal richten tussen het vet klein-vee, en tussen het mager klein-vee.
Om dat gy alle de zwakke met de zyde, en met den schouder verdringet, en met uwe hoornen verstootet: tot dat gy dezelve na buiten toe verstrooid hebt.
Mattheus XXV: 31, 32, 33.
En wanneer de Zoone des menschen komen zal in zyne heerlyhheid, en alle de heilige Engelen met hem, dan zal hy zitten op den throon zjner heerlykheid.
En voor hem zullen alle de volkeren vergaderd worden, en hy zal ze van malkanderen scheiden, gelyk de herder de schaapen van de bokken scheidet.
En hy zal de schaapen tot zyner rechter [hand] zetten, maar de bokken tot [zyner] slinker-[hand.]