terug  begin  verderprepost
[p. 242]origineel

Het Paard.

Werelds loon.




illustratie


Hy en heeft geenen lust aan de sterkte des paards: hy en heeft geen welgevallen aan de beenen des mans. De HEERE heeft een welgevallen aan die, die hem vreezen: die op zyne goedertierenheid hoopen.
Psalm CXLVII: 10, 11.

[p. 243]origineel
ô Mensch, myn vriend,
Ziet wie gy diend.
 
Het trots en weelig Paard, met kracht en moed be zeten,
 
Dat in der menschen dienst, zyn fleur heeft afgesleeten,
 
Vermagerd, en veroud, nu 't ieder een mishaagd,
 
Word van de stal en 't veld, slechts aan den dyk gejaagd.
 
Gy die de wereld diend, met uwe levens krachten,
 
Moogt aan uw werkzaam einde ook zulk een loon verwachten;
 
Want deze Heerschap, als gy oud en kreupel zyt,
 
Dryft u uit zynen stal, na 't dal der Eeuwigheid;
 
Daar moogt gy swerven, en bezien wat gy kund vinden,
 
Dat is het werelds loon, van trouwelooze vrinden.
 
Maar wie zyn dienst aan God, den Alderhoogste doet,
 
Heeft Eeuwig onderhoud, in vollen overvloed.
 
Die zal na weinig werks, van tegen 't vlees te stryden,
 
Van 't drukkend Juk ont-daan, gants onbekommerd weiden,
 
In groene beemden, daar geen meesterlyke hand,
 
Hem op komt haalen, en voor 't rad der slooving spand,
 
Maar eeuwig rusten, is hem tot zyn loon beschoore;
[p. 244]origineel
 
Dat deze dienstbaarheid dan ieders hert bekoore.
 
Om niet te weezen als een onverstandig beest,
 
En slaafs, in dienstbaarheid der wereldlyke geest.
 
De mensch'lyke afkomst mag een eed'ler staat gebeuren
 
Die door zyn reed'lykheid, hem toestaat uit te keuren.
 
Terwyl zy hem ontmoet van Gods barmhertigheid,
 
Eer schandelyk verzuim, hem deer'lyk knaagd en spyt.

Psalm XXXII: 8, 9, 10.
Ik zal u onderwyzen, en u leeren van den weg, die gy gaan zult; Ik zal raad geeven, myn ooge zal op u zyn.
Weest niet gelyk een paard, gelyk een muil-ezel, welk geen verstand en heest, welks muil men breideld met toom en gebit, op dattet tot u niet en genaake.
De godlooze heeft veele smerten; maar die op den HEERE vertrouwd, dien zal de goedertierenheid omringen.

Maleachi III: 18.
Dan zult gy-lieden wederom zien, [het onderscheid] tussen den rechtvaardigen en den godloozen: tussen dien die God diend, en dien die hem niet en diend.

Mattheus XXV: 21.
En zyn Heere zeide tot hem, Wel, gy goede en
[p. 245]origineel
getrouwe dienstknecht, over weinig zyt gy getrouw geweest, over veele zal ik u zetten: gaat in in de vreugde uwes Heeren.

Lukas XII: 42, 43, 44.
En de Heere zeide, Wie is dan de getrouwe en voorzichtige huis-bezorger, dien de Heere over zyne dienstboden zal zetten, om [haar] ter rechter tyd het bescheiden deel spyze te geeven.
Zalig is de dienstknecht, welken zyn Heere, als hy komt, zal vinden alzo doende.
Waarlyk ik zegge u lieden, dat hy hem over alle zyne goederen zetten zal.

Romeinen VI: 23.
Want de bezoldinge der zonde is de dood, maar de genade-gifte Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus onzen Heere.

Jakobus III: 3.
Ziet, wy leggen den paarden toomen in de monden, op dat zy ons zouden gehoorzamen, en wy leiden [daar mede] haar geheel lichaam om:

prepostterug  begin  verder