Werelds loon.

Hy en heeft geenen lust aan de sterkte des paards: hy en heeft geen welgevallen aan de beenen des mans. De HEERE heeft een welgevallen aan die, die hem vreezen: die op zyne goedertierenheid hoopen.
Psalm CXLVII: 10, 11.
Psalm XXXII: 8, 9, 10.
Ik zal u onderwyzen, en u leeren van den weg, die gy gaan zult; Ik zal raad geeven, myn ooge zal op u zyn.
Weest niet gelyk een paard, gelyk een muil-ezel, welk geen verstand en heest, welks muil men breideld met toom en gebit, op dattet tot u niet en genaake.
De godlooze heeft veele smerten; maar die op den HEERE vertrouwd, dien zal de goedertierenheid omringen.
Maleachi III: 18.
Dan zult gy-lieden wederom zien, [het onderscheid] tussen den rechtvaardigen en den godloozen: tussen dien die God diend, en dien die hem niet en diend.
Mattheus XXV: 21.
En zyn Heere zeide tot hem, Wel, gy goede en
getrouwe dienstknecht, over weinig zyt gy getrouw geweest, over veele zal ik u zetten: gaat in in de vreugde uwes Heeren.
Lukas XII: 42, 43, 44.
En de Heere zeide, Wie is dan de getrouwe en voorzichtige huis-bezorger, dien de Heere over zyne dienstboden zal zetten, om [haar] ter rechter tyd het bescheiden deel spyze te geeven.
Zalig is de dienstknecht, welken zyn Heere, als hy komt, zal vinden alzo doende.
Waarlyk ik zegge u lieden, dat hy hem over alle zyne goederen zetten zal.
Romeinen VI: 23.
Want de bezoldinge der zonde is de dood, maar de genade-gifte Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus onzen Heere.
Jakobus III: 3.
Ziet, wy leggen den paarden toomen in de monden, op dat zy ons zouden gehoorzamen, en wy leiden [daar mede] haar geheel lichaam om: