Dit niet maar een ander.

Als nu deze Jongers groot wierden, werd Ezan een man verstandig op de Jacht, een veldman: maar Jakob wierd een oprecht man, woonende in tenten.
Genesis XXV: 27.
Mattheus XV: 8.
Dit volk genaakt my met haaren monde, en eerd my met de lippen, maar haar herte houd hem verre van my.
Philippenzen III: 12, 13, 14.
Niet dat ik het alreede gekreegen hebbe, of alreede volmaakt ben: maar ik jaage daar na, of ik het ook grypen mogte, daar toe ik van Christus Jezus ook gegreepen ben.
Broeders, ik en achte niet dat ik zelve het gegreepen hebbe.
Maar een ding [doe ik,] vergeetende het geene dat achter is, en strekkende my tot het geene dat vooren is, jaage ik na het wit tot den prys der roepinge Gods, die van boven is in Christus Jezus.
Hebreen III: 10, 11, 12.
Daarom was ik vertoornt over dat geslachte, en sprak, Altyd dwaalen zy met het herte, en zy en hebben myne wegen niet gekent.
Zo hebbe ik dan geswooren in mynen toorne, Indien zy in myne ruste zullen ingaan.
Ziet toe, broeders, dat niet t'eeniger tyd in iemant van u en zy een boos en ongeloovig herte, om af te wyken van den levenden God.