terug  begin  verderprepost
[p. 254]origineel

Het Hart.

Dit niet maar een ander.




illustratie


Als nu deze Jongers groot wierden, werd Ezan een man verstandig op de Jacht, een veldman: maar Jakob wierd een oprecht man, woonende in tenten.
Genesis XXV: 27.

[p. 255]origineel
De rechte Jacht, Word minst bedacht.
 
Ik weet een Hert, kost gy dat vangen,
 
Gy die de Jacht zo hert'lyk mind,
 
En maakt d'onnooz'le Dieren bange,
 
Op dat uw lust zyn weide vind.
 
Ik weet een Hert dat zich te velde,
 
En in het groote wilde woud,
 
(Wiens naam men u wel kan vermelden)
 
Geduurig heen en weêr onthoud.
 
Mogt uwen iver dat behaalen,
 
Een gulden halsband en een steen,
 
Die geen Monarch u kost betaalen,
 
(Hoe groot, hoe Ryk, hoe ongemeen)
 
Zoud gy tot een vergelding vinden,
 
Die naamt gy in bewaaring of,
 
En 't beest zoud gy ter leiding binden,
 
En brengen in een vreedzaam hof.
 
Heeft uw' opmerking hier toe ooren,
 
Op dat het u geweezen werd,
 
De gunst die zal 't u laaten hooren,
 
Want ziet, het is uw eigen Hert.
 
Dat weid op bergen en in dalen,
[p. 256]origineel
 
Dat dwaald de bossen in en uit,
 
Dat graast, en eet, als zonder paalen,
 
De ydelheid als gras en kruid,
 
Dat drinkt uit veelderleie beeken,
 
Der weelde en vleeselyke zin,
 
(Die van het hoog des werelds leeken)
 
Het Ziels verderf als water in.
 
Zo gy het niet komt op te spooren.
 
En zo te maken moê en mat,
 
Door Jacht der vreeze voor Gods tooren,
 
Dat uwe hand het grype en vat,
 
Zo kan 't een ander licht, eerlange
 
Met jacht van zynen fellen hond
 
Belaagen, jaagen ende vangen,
 
Zo valt het in de wreedste mond.
 
ô Mensch! breng man en paard te gange,
 
Om doch uw wilde Hert te vange.

Mattheus XV: 8.
Dit volk genaakt my met haaren monde, en eerd my met de lippen, maar haar herte houd hem verre van my.

[p. 257]origineel
Philippenzen III: 12, 13, 14.
Niet dat ik het alreede gekreegen hebbe, of alreede volmaakt ben: maar ik jaage daar na, of ik het ook grypen mogte, daar toe ik van Christus Jezus ook gegreepen ben.
Broeders, ik en achte niet dat ik zelve het gegreepen hebbe.
Maar een ding [doe ik,] vergeetende het geene dat achter is, en strekkende my tot het geene dat vooren is, jaage ik na het wit tot den prys der roepinge Gods, die van boven is in Christus Jezus.

Hebreen III: 10, 11, 12.
Daarom was ik vertoornt over dat geslachte, en sprak, Altyd dwaalen zy met het herte, en zy en hebben myne wegen niet gekent.
Zo hebbe ik dan geswooren in mynen toorne, Indien zy in myne ruste zullen ingaan.
Ziet toe, broeders, dat niet t'eeniger tyd in iemant van u en zy een boos en ongeloovig herte, om af te wyken van den levenden God.

prepostterug  begin  verder