terug  begin  verderprepost
[p. 290]origineel

De Duif.

Zy zyn gewend.




illustratie


Och dat my iemant vleugelen, als eener duive, gave! Ik zoude heenen vliegen, waar ik blyven mogte.
Psalm LV: 7.

Myne Ziele, keerd weder tot uwe ruste, want de HEERE heeft aan u wel gedaan.
Psalm CXVI: 7.

[p. 291]origineel
Nooit verd; Van 't Hert.
 
Het Duifje heeft de vrye vlucht,
 
Van uit het nest in d'open lucht,
 
Doch houd zich zelven binnen paalen,
 
En vliegd alleenig heen en weêr,
 
Tot een gestaage wederkeer,
 
En zonder ver van huis te dwaalen.
 
ô Zinnen! die in 's menschen Hert,
 
Als in haar nest bevonden werd,
 
Mogt gy dit van het Duifje leeren,
 
Om in u uitgang, die gy doet,
 
In dit of dat, dat weezen moet,
 
Gestaag weêr tot uw hert te keeren,
 
Zo vond den Havik of de Gier,
 
U niet ten roove daar of hier,
 
Als gy te ver van honk gevloogen,
 
In wildernissen waart verdwaald,
 
Waar uit den Arend voedsel haald,
 
En gy u leelyk vond bedrogen.
 
ô Zinnen! die zo vluchtig zyt,
 
In d'open lucht van dezen tyd,
 
Weest wel bedachtzaam op uw hoede,
[p. 292]origineel
 
Maakt uwen uitgang nimmer veer,
 
Keert alle oogenblikken weêr,
 
Tot uwen Heer, die u moet voeden.

Genesis VIII: 8, 9, 10, 11.
Daar na liet hy eene duive van zich uit, om te zien of de wateren gelicht waaren van boven den aardbodem.
Maar de duive en vond geene ruste voor het hol haares voets: zo keerde zy weder tot hem in de Arke; want de wateren waaren op de ganise aarde: en hy stak zyne hand uit, en nam ze, en bracht ze tot zich in de Arke.
En hy verbeide noch zeven andere dagen: doe liet hy de duive wederom uit de Arke.
En de duive quam tot hem tegen den avond-tyd, en ziet, een afgbrooken olyf blad was in haaren bek: zo merkte Noach, dat de wateren van boven de aarde gelicht waaren.

Jezaias XLV: 22.
Wendet u na my toe, wordet behouden, alle gy einden der aarde: want ik ben God, en niemant meer.

En Kapittel LX: 8.
Wie zyn deze, [die] daar komen gevloogen als een wolke, en als duiven tot haare vensters?

[p. 293]origineel
Jeremias VIII: 7.
Zelfs een Oyevaar aan den Hemel, weet zyne gezette tyden, en een tortelduive, en kraan, en zwaluwe, neemen den tyd haarer aankomste waar: waar myn volk en weet het recht des HEEREN niet.

Klaaglied: III: 40, 41, 42.
Laat ons onze wegen onderzoeken, en doorzoeken, en laat ons wederkeeren tot den HEERE.
Laat ons onze herten opheffen, mitsgaders de handen, tot God in den hemel, [zeggende,]
Wy hebben overtreeden, en wy zyn wederspannig geweest, [daarom] en hebt gy niet gespaart.

Mattheus X: 16.
Ziet, ik zende u als Schaapen in 't midden der Wolven: Zyt dan voorzichtig gelyk de slangen, en oprecht gelyk de duiven.

prepostterug  begin  verder