Schoon voor 't oog.

De vreeze des HEEREN is, te haaten het quaade, de hoovaardigheid, en den hoogmoed, en den quaaden weg: ik haate ook den mond der verkeerdheden.
Spreuken VIII: 13.
1 Samuel XVI: 7.
Doch de HEERE zeide tot Samuel, En ziet zyn gestalte niet aan, noch de hoogte zyner statuure, want ik hebbe hem verworpen: want het en is niet gelyk de mensche ziet, want de mensche ziet aan dat voor oogen is, maar de HEERE ziet het herte aan.
Spreuken XI: 2.
Als de hoovaardigheid komt, zal de schande ook komen: maar met de ootmoedige is wysheid.
Jezaias II: 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16.
Gaat in den rotssteen, en verbergd u in den stof, van wegen den schrik des HEEREN, en om de heerlykheid zyner Majesteit.
De hooge oogen der menschen zullen vernedert worden, en de hoogheid der mannen zal neder geboogen worden, en de HEERE alleen zal in dien dage verheven zyn.
Want de dag des HEEREN der Heirschaaren zal zyn tegen allen hoovaardigen en hoogen, en tegen allen verhevenen, op dat hy vernedert worde.
En tegen alle hooge en verhevene cederen van Libanon, en tegen alle eiken van Basan.
En tegen alle hooge bergen, en tegen alle verhevene heuvelen.
En tegen allen hoogen toren, en tegen allen vasten muur.
En tegen alle scheepen van Tharsis, en tegen alle gewenste schilderyen.
Lukas XVI: 19.
En daar was een zeker ryk mensche, en was gekleed met purper en zeer fyn lynwaad, leevende alle dagen vrolyk en prachtig.
1 Petrus III: 3, 4.
Welker versiersel zy, niet 't geene uiterlyk is, [bestaande] in het vlechten des hairs, en omhangen van goud, of van kleederen aan te trekken:
Maar den verborgen mensche des herten, in het onverderffelyk [versiersel] eens zachtmoedigen en stillen geests, die kostelyk is voor God.