Door 't gehoor proeft men 't binnenst'.

De goede mensche brengt het goede voort, uit den goeden schat zyns herten: en de quaade mensche brengt het quaade voort uit den quaaden schat zyns herten. Want uit den overvloed des herten spreekt zynen mond.
Lukas VI: 45.
Psalm XXVIII: 6, 7.
Gelooft zy de HEERE; want hy heeft de stemme myner smeekinge gehoort.
De HEERE is myn sterkte, en myn schild, op hem heeft myn herte vertrouwt, en ik ben geholpen; dies springt myn herte van vreugde, en ik zal hem met myn gezang looven.
Psalm LXV: 2.
De lofzang is [in] stilheid tot u, ô God, in Zion: en u zal de gelofte betaalt worden.
Psalm LXXXIX: 53.
Geloofd zy de HEERE in der eeuwigheid, Amen, ja Amen.
Psalm CXIII: 2, 3.
De Naame des HEEREN zy gepreezen, van nu aan tot in der eeuwigheid.
Van den opgang der zonne af, tot haaren nedergang, zy de Naame des HEEREN gelooft.
Mattheus XVIII: 2, 3, 4.
En Jezus een kindeken tot hem geroepen hebbende, stelde dat in 't midden van haar,
En zeide, voorwaar zegge ik u, indien gy u niet en veranderd, en word gelyk de kinderkens, zo en zult gy in het Koningryk der Hemelen geensins ingaan.
Zo wie dan hem zelven zal vernederen gelyk dit kindeken, deze is de meeste in het Koningryk der Hemelen.
Lukas XII: 32.
En vreest niet, gy klein kuddeken: Want het is uwes Vaders welbehagen u-lieden het Koningryk te geeven.
2 Korinthen IV: 6, 7.
Want God die gezegt heeft dat het licht uit de duisternisse zoude schynen, is de geene die in onze herten gescheenen heeft, om [te geeven] verlichtinge der kennisse der heerlykheid Gods in 't aangezichte van Jezus Christus.
Maar wy hebben dezen schat in aarden vaten, op dat de uitneementheid der kracht zy Godes, en niet uit ons.