Den goede Goed.

En Jezus wandelende aan de Zee van Galilea, zag twee broeders [namentlyk] Simon gezegt Petrus, en Andreas zynen broeder, het net in de zee werpende: (want zy waaren vissers.) En hy zeide tot haar, volgt my na, en ik zal u vissers der menschen maaken.
Matth: IV: 18, 19.
Mattheus XIII: 47, 48, 49.
Wederom is het Koningryk der hemelen gelyk een net geworpen in de Zee, en dat allerlei soorten [van vissen] t'zaamen brengt:
Het welke wanneer het vol geworden is, [de vissers] aan den Oever optrekken, en nederzittende leezen het goede uit in [haare] vaten, maar het quaade werpen zy wech.
Alzo zal het in de voleindinge der eeuwen u eezen; de Engelen zullen uitgaan, en de booze uit het midden der rechtvaardigen afscheiden.
Romeinen VI: 13.
Noch en stelt uwe leden niet der zonde tot wapenen der ongerechtigheid: maar stelt u zelven Gode, als uit de dooden leevendig [geworden] zynde, en [stelt] uwe leden Gode tot wapenen der gerechtigheid.
En Vers 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22.
Weet gy niet dat wien gy u zelven stelt tot dienstknechten ter gehoorzaamheid, gy dienstknechten zyt des geenen dien gy gehoorzaamt, of der zonde tot de dood, of der gehoorzaamheid tot gerechtigheid?
Maar Gode zy dank, dat gy [wel] dienstknechten der zonde waart, maar [dat] gy [nu] van herten gehoorzaam geworden zyt den voorbeelde der leere, tot het welk gy overgegeeven zyt:
En vry gemaakt zynde van de zonde, zyt gemaakt dienstknechten der gerechtigheid.
Ik spreeke op menschelyker wyze, om der zwakheid uwes vlees wille. Want gelyk gy uwe leden gestelt hebt [om] dienstbaar [te zyn] der onreinigheid, en der ongerechtigheid tot ongerechtigheid, alzo stelt nu uwe leden [om] dienstbaar [te zyn] der gerechtigheid tot heiligmaakinge.
Want doe gy dienstknechten waart der zonde, zo waart gy vry van de gerechtigheid.
Wat vrucht dan had gy doe van die dingen daar over gy u nu schaamd? Want het einde der zelve is de dood.
Maar nu van de zonde vry gemaakt zynde, en Gode dienstbaar gemaakt zynde, hebt gy uwe vrucht tot heiligmaakinge, en het einde het eeuwige leeven.
Jakobus IV: 10.
Vernedert u voor den Heere, en hy zal u verhoogen.