terug  begin  verderprepost
[p. 310]origineel

De Vissen.

Den goede Goed.




illustratie


En Jezus wandelende aan de Zee van Galilea, zag twee broeders [namentlyk] Simon gezegt Petrus, en Andreas zynen broeder, het net in de zee werpende: (want zy waaren vissers.) En hy zeide tot haar, volgt my na, en ik zal u vissers der menschen maaken.
Matth: IV: 18, 19.

[p. 311]origineel
Laat valse vryheid, Tot waare blyheid.
 
ô Groote Zee, van 't tyd'lyk leeven,
 
In wien de menschen heen en weêr,
 
Krioelen, weem'len ende sweeven,
 
Gelyk de Vissen in het Meer:
 
Een vis-net laat zyn looden hangen,
 
En strekt zich wyd langs 's werelds strand,
 
ô Vrye Visje laat u vangen,
 
Zo valt gy in een goede hand.
 
Gy zult door zyn geweld niet sterven,
 
Al raakt gy uit uw Element,
 
Maar beter Element be erven,
 
Dat uwe vreemdheid noch niet kend.
 
Gy word uit woedend zout genomen,
 
Dat niet als stadig golven deê,
 
En zult in 't klaare water komen,
 
Van eene stille en zoete Zee.
 
Daar zal geen eet-op u bejaagen,
 
Noch 't uitgeworpen looze aas,
 
Uw eed'le vryheid ooit belaagen,
 
En trekken tot een droef helaas.
 
Maar onbekommert zult gy zwemmen,
[p. 312]origineel
 
En speelen vrolyk heen en weêr,
 
In weelde en wellust zonder temmen,
 
In 't zoete klaare en ruine Meer;
 
(Geheel en al met licht doorscheene,)
 
En onder duizenden bekend.
 
ô Waarde Ziel daar komt gy heene,
 
Wanneer gy in Gods net belend,
 
En dat is eerst uw recht Element.

Mattheus XIII: 47, 48, 49.
Wederom is het Koningryk der hemelen gelyk een net geworpen in de Zee, en dat allerlei soorten [van vissen] t'zaamen brengt:
Het welke wanneer het vol geworden is, [de vissers] aan den Oever optrekken, en nederzittende leezen het goede uit in [haare] vaten, maar het quaade werpen zy wech.
Alzo zal het in de voleindinge der eeuwen u eezen; de Engelen zullen uitgaan, en de booze uit het midden der rechtvaardigen afscheiden.

Romeinen VI: 13.
Noch en stelt uwe leden niet der zonde tot wapenen der ongerechtigheid: maar stelt u zelven Gode, als uit de dooden leevendig [geworden] zynde, en [stelt] uwe leden Gode tot wapenen der gerechtigheid.

[p. 313]origineel
En Vers 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22.
Weet gy niet dat wien gy u zelven stelt tot dienstknechten ter gehoorzaamheid, gy dienstknechten zyt des geenen dien gy gehoorzaamt, of der zonde tot de dood, of der gehoorzaamheid tot gerechtigheid?
Maar Gode zy dank, dat gy [wel] dienstknechten der zonde waart, maar [dat] gy [nu] van herten gehoorzaam geworden zyt den voorbeelde der leere, tot het welk gy overgegeeven zyt:
En vry gemaakt zynde van de zonde, zyt gemaakt dienstknechten der gerechtigheid.
Ik spreeke op menschelyker wyze, om der zwakheid uwes vlees wille. Want gelyk gy uwe leden gestelt hebt [om] dienstbaar [te zyn] der onreinigheid, en der ongerechtigheid tot ongerechtigheid, alzo stelt nu uwe leden [om] dienstbaar [te zyn] der gerechtigheid tot heiligmaakinge.
Want doe gy dienstknechten waart der zonde, zo waart gy vry van de gerechtigheid.
Wat vrucht dan had gy doe van die dingen daar over gy u nu schaamd? Want het einde der zelve is de dood.
Maar nu van de zonde vry gemaakt zynde, en Gode dienstbaar gemaakt zynde, hebt gy uwe vrucht tot heiligmaakinge, en het einde het eeuwige leeven.

Jakobus IV: 10.
Vernedert u voor den Heere, en hy zal u verhoogen.

prepostterug  begin  verder