terug  begin  verderprepost
[p. 314]origineel

De Kleine Vis.

Laat maar dryven.




illustratie


De Heere HEERE heeft geswooren by zyne heiligheid, dat'er, ziet dagen over u lieden zullen komen; dat men u zal optrekken met haaken, en uwe nakomelingen met vis-angelen.
Amos IV: 2.

[p. 315]origineel
En proeft zo graag'lyk niet,
Wat zich behaag'lyk bied.
 
Gelyk het aas den hoek bedekt,
 
Waar door het Visje werd bedrogen,
 
Zo dat men 't uit zyn vryheid trekt,
 
En brengt tot greetigheids be-oogen;
 
Zo dekt het wereldse vermaak,
 
(Dat lok-aas voor de arme Zielen)
 
Des boozen vyands helse haak,
 
Op dat zy in zyn vangst vervielen.
 
Dies is het beter dat men vast
 
Van al het zoete en het schoone,
 
Dat op den boom des werelds wast,
 
En zich aanminnig komt vertoonen.
 
Men stryk het wyselyk voorby,
 
En houw zich soberlyk te vreden,
 
En zo zyn dierbaar leven vry,
 
In 't schroom'lyk water hier beneden:
 
Tot dat men in den vloed der tyd,
 
Zo lang den stroom heeft opgezwommen,
 
Tot dat men in de Eeuwigheid,
 
En 't Hemels water is gekommen.
[p. 316]origineel
 
Al wat dan daar de lust ontmoet,
 
Is veilig, met geen arg bezeten,
 
Van binnen als van buiten goed,
 
En zoet, om smaak'lyk op te eeten.
 
ô Ziele! 't leven is hier kort,
 
Wy moeten onze lust betemmen,
 
Op dat men niet gevangen word,
 
Maar eind'ling't eeuwig heil bezwemmen.

Spreuken XXVII: 12.
De kloekzinnige ziet het quaad, [en] verbergt zich: de slechte gaan heenen door, [en] worden gestraft.

Prediker IX: 11, 12.
Ik keerde my, en zag onder de Zonne, dat de loop niet en is der snellen, noch de stryd der helden, noch ook de spyze der wyzen, noch ook de rykdom der verstandigen, noch ook de gunste der wel-weetenden, maar dat tyd en toeval allen dezen wedervaart.
Dat ook de mensche zynen tyd niet en weet, gelyk de vissen, die gevangen worden met het booze nette; en gelyk de vogelkens, die gevangen worden met den strikke: gelyk die, [alzo] worden de kinderen der menschen verstrikt, ter boozer tyd, wanneer dezelve baastelyk over haar valt.

[p. 317]origineel
Habakuk I: 14, 15.
En [waarom] zoud gy de menschen maaken, als de vissen der zee? als het kruipende gedierte, dat geenen heerscher en heeft?
Hy trekt ze alle met den angel op, hy vergaderd ze in zyn garen, en hy verzamelt ze in zyn net: daarom verblyd en verheugd hy zich.

Lukas XII: 15.
En hy zeide tot haar: Ziet toe, en wacht u van de gierigheid: want het en is niet in den overvloed [gelegen,] dat iemant leeft uit zyne goederen.

Ephezen V: 15, 16
Ziet dan hoe gy voorzichtiglyk wandeld: niet als onwyze maar als wyze.
Den tyd uitkoopende, dewyle de dagen boos zyn.

2 Petrus III: 17.
Gy dan, geliefde, [zulks] te vooren weetende, wacht u dat gy niet door de verleidinge der grouwelyke menschen mede afgerukt en word, en uitvalt van uwe vastigheid.

prepostterug  begin  verder