terug  begin  verderprepost
[p. 330]origineel

Het Ongediert.

Zuivert u.




illustratie


Ik heb u-lieden geslagen met brand-koorn, en met honing-dauw; de veelheid uwer hoven, en uwer wyngaarden, en uwer vygeboomen, en uwer olyf-boomen at de rupse op: nochtans en hebbet gy u niet bekeert tot my, spreekt de HEERE.
Amos IV: 9.

[p. 331]origineel
't Verderf is zeer naby,
Dat elk dan redzaam zy.
 
Haald groeizaamheid zyn fleur in top,
 
Beloovende overvloed van vruchten,
 
De schend-worm wast 'er tegen op,
 
En doet de goê verwachting zuchten.
 
't Staat in 't beginsel als een kroon,
 
Van winter-banden vry ontbonden;
 
Het blaadje groen, het bloempje schoon,
 
Maar lacy! 't is eerlang geschonden.
 
Zo bloeid de menschelyke Jeugd,
 
Die wonderboom, der schoonste fruiten;
 
Dat was hy, wies hy op in deugd,
 
Maar 't gaat dien wens al veel te buiten.
 
Het wormpje dat zyn bloeisel schend,
 
Als t'eener dragt met hem gebooren,
 
In 's herten knop en daar omtrent,
 
Komt uit zyn schuilplaats haast te vooren.
 
Dat 's jammer, dat die schoone bloem,
 
De boode van gewenste vruchten,
 
Zo haast vervalt van zynen roem,
 
En reden geest, van wee en zuchten!
 
ô Boompje van des Scheppers hand,
 
In 't hof van zyne wonderheden,
 
Tot zyn vermaak en lust geplant,
 
Doorvochtigt met het zap van reden,
 
Gy grond in dieper fondament,
 
U is een hooger graad gegeeven,
[p. 332]origineel
 
Als 't geen dat wast, doch voeld noch kent,
 
Gy zyt het recht verstandig leven.
 
Legt dan deze Edeldommen aan,
 
Om niet, met stomme en domme dingen,
 
Voor quaade toeval stil te staan,
 
Om u, uw waardigheid t'ontwringen.
 
Maar schud uw takken van beraad,
 
Door zondens Ongediert bestreeden,
 
En strooid het snoode en schend'lyk quaad,
 
Van uwen kroon tot na beneden.
 
Op dat gy schoon en vruchtbaar zyt,
 
Tot lof en prys en welbehaagen
 
Van d'Allerhoogste Majesteit,
 
Om voor hem, eeuwig vrucht te draagen.
 
Want als gy door het schaad'lyk dier,
 
Geteld wierd by verdorve boomen,
 
Zo dreigden u het eeuwig vier,
 
En gy wierd uit den hof genomen.
 
Wel aan dan boompje des gemoeds,
 
Beweegd uw telgen en uw takken,
 
Tot zuivering, ter vrucht des goeds,
 
Zo zal geen byl, uw styl verhakken.

Jeremias XVII: 7, 8, 9, 10.
Gezegend [daar en tegen] is de Man, die op den HEERE vertrouwt: en wiens vertrouwen de HEERE is.
Want hy zal zyn als een boom, die aan 't water geplant is, en zyne wortelen uitschiet aan eene ri-
[p. 333]origineel
viere, ende en gevoeld het niet wanneerder eene hitte komt, maar zyn loof blyft groen: en in een jaar van droogte en zorgd hy niet, ende en houd niet op van vrucht te draagen.
Arglistig is het herte, meer dan eenig ding, ja doodelyk is het: wie zal het kennen?
Ik de HEERE doorgronde het herte, [en] proeve de nieren: en dat, om eenen iegelyken te geeven na zyne wegen, na de vrucht zyner handelingen.

Joel I: 4, 5.
Wat de rupse heeft overgelaaten, heeft de springhaan afgegeteen, en wat de springhaan heeft overgelaaten, heeft de kever afgegeeten, en wat de kever heeft over gelaaten heeft de kruid-worm af-gegeeten.
Waaket op gy dronkene, en weenet, en huilet alle gy wyn-zuipers, om den nieuwen wyn, dewyl hy van uwen mond is afgesneden.

En Kapittel II: 25.
Alzo zal ik u-lieden de jaaren vergelden, die de springhaan, de kever en de kruid-worm, en de rupse heeft af-gegeeten: myn groot heir, dat ik onder u gezonden hebbe.

prepostterug  begin  verder