Zuivert u.

Ik heb u-lieden geslagen met brand-koorn, en met honing-dauw; de veelheid uwer hoven, en uwer wyngaarden, en uwer vygeboomen, en uwer olyf-boomen at de rupse op: nochtans en hebbet gy u niet bekeert tot my, spreekt de HEERE.
Amos IV: 9.
Jeremias XVII: 7, 8, 9, 10.
Gezegend [daar en tegen] is de Man, die op den HEERE vertrouwt: en wiens vertrouwen de HEERE is.
Want hy zal zyn als een boom, die aan 't water geplant is, en zyne wortelen uitschiet aan eene ri-
viere, ende en gevoeld het niet wanneerder eene hitte komt, maar zyn loof blyft groen: en in een jaar van droogte en zorgd hy niet, ende en houd niet op van vrucht te draagen.
Arglistig is het herte, meer dan eenig ding, ja doodelyk is het: wie zal het kennen?
Ik de HEERE doorgronde het herte, [en] proeve de nieren: en dat, om eenen iegelyken te geeven na zyne wegen, na de vrucht zyner handelingen.
Joel I: 4, 5.
Wat de rupse heeft overgelaaten, heeft de springhaan afgegeteen, en wat de springhaan heeft overgelaaten, heeft de kever afgegeeten, en wat de kever heeft over gelaaten heeft de kruid-worm af-gegeeten.
Waaket op gy dronkene, en weenet, en huilet alle gy wyn-zuipers, om den nieuwen wyn, dewyl hy van uwen mond is afgesneden.
En Kapittel II: 25.
Alzo zal ik u-lieden de jaaren vergelden, die de springhaan, de kever en de kruid-worm, en de rupse heeft af-gegeeten: myn groot heir, dat ik onder u gezonden hebbe.