Wykt uit het Werelds Dal.

Laat my de watervloed niet overstroomen, en laat de diepte my niet verslinden: noch en laat den put zyne mond over my niet toesluiten.
Psalm LXIX: 16.
Steekt uwe handen van der hoogte uit: ontzet my, en rukt my uit de groote wateren, uit de band der vreemden.
Psalm CXLIV: 7.
Psalm XXXII: 6, 7.
Hierom zal u een ieder heilige aanbidden in vindens tyd; Fa in eenen overloop van groote wateren, zullen zy hem niet aanraaken.
Gy zyt my een verberginge, gy behoed my voor benaauwtheid; gy omringd my met vrolyke gezangen van bevrydinge, Sela!
Spreuken I: 30, 31, 32, 33.
Zy en hebben in mynen raad niet bewilliget: alle myne bestraffsinge hebben zy versmaadet.
Zo zullen zy eeten van de vruchten haares wegs, en zich verzaadigen met haare raadslagen.
Want de afkeeringe der slechten zal ze dooden, en de voorspoed der zotten zal ze verderven.
Maar die na my hoord, zal zeker woonen: en hy zal gerust zyn van de vreeze des quaads.