terug  begin  verderprepost
[p. 342]origineel

De Aardbeeving.

Gevaar van onder en boven.




illustratie


En daar zullen groote aardbeevingen wezen in verscheiden plaatsen, en hongersnooden, en pestilentien: daar zullen ookschrikkelyke dingen, en groote teekenen van den hemel geschieden.
Lukas XXI: 11

[p. 343]origineel
Nergens veilig, Als in 't heilig.
 
Verwaande en stoute mensch wat raad?
 
De grond is los daar gy op staat;
 
En dreigd u in zyn maag te slikken,
 
Of 't huis te storten op het hooft,
 
Wyl stoot op stoot den val belooft,
 
Hier moet den stouten aard verschrikken.
 
Daar quam, zo nu en dan wel eer,
 
Een zwaar en naar gerucht van veer,
 
Daar Etnaas schoorsteen is gelegen;
 
Maar 't is niet lang, dat* Nederland,
 
Met zyn gebuuren zelf bevand,
 
Dat wonderbaare aard beweegen.
 
En ook zo flaauw, of weinig niet,
 
Maar zo, dat elk zyn huis verliet,
 
Om na verblyving uit te kyken;
 
't Bedryf stond stil van zynen gang,
 
Voor 't dreigen van dien vinger bang,
 
Zocht ieder een de straf t'ontwyken.
 
Dat was een predikend gezant,
 
Op eene uur, door 't gantse land,
[p. 344]origineel
 
Die 't volk tot aandacht kost beweegen:
 
Doch 't is berouw van korten tyd,
 
Het stoute kind, van straf bevryd,
 
Heeft wederom ruim-baan gekreegen.
 
Maar, arme mensch, bedenkt gy niet,
 
Schoon 't leven dit gevaar ontvliet,
 
Hoe 't sterf-bed ieders grond doet beven?
 
Een aard-beweeging, niet t'ontgaan,
 
Al legt men 't noch zo zeker aan,
 
Hier kost het doch uw lyf en leven.
 
Wilt gy dan volgen goede raad,
 
Zo zoekt een grond die vaster staat,
 
Na 't onderwys van Christus reden.
 
Al wat gy met uw oog beziet,
 
Is 't onbeweeg'lyk wezen niet,
 
Zo moetmen tot een beter treeden.
 
ô Rotssteen, die in eeuwigheid
 
Zo vast en onbeweeg'lyk zyt,
 
Gy zyt de grond van 't wys'lyk bouwen.
 
Wat op u rust zal blyven staan,
 
Gy zult haar nimmermeer ontgaan,
 
Die door de deugd op u vertrouwen.

[p. 345]origineel
Psalm CIV: 12.
Als hy de aarde aanschouwt zo beeft zy: als hy de bergen aanroert, zo rooken zy.

Nahum I: 5, 6, 7.
De bergen beeven voor hem, en de heuvelen versmelten: en de aarde licht haar op voor zyn aangezichte; en de wereld en alle die daar in woonen.
Wie zal voor zyne gramschap staan? en wie zal voor de hittigheid zynes toorns bestaan? zyne grimmigheid is uitgestort als vuur, en derotssteenen worden van hem vermorselt.
De HEERE is goed, hy is ter sterkte in den dag der benaauwtheid, en hy kend die, die op hem betrouwen.

Hebreen XII: 26, 27, 28, 29.
Wiens stemme doe de aarde beweegde: maar nu heeft hy verkondigd, zeggende, Noch eenmaal zal ik beweegen, niet alleen de aarde maar ook den hemel.
En dit [woord], Noch eenmaal, wyst aan de veranderinge der beweegelyke dingen, als welke gemaakt waaren, op dat blyven zouden de dingen die niet beweeglyk en zyn.
Daarom alzo wy een onbeweeglyk Koningryk ontfangen, laat ons de genade [vast] houden, door dewelke wy welbehaagelyk Gode mogen dienen, met eerbiedinge en Godvruchtigheid.
Want onze God is een verteerend vuur.

*1692.
prepostterug  begin  verder