Honger is een scherp zwaard.

De HEERE kend de dagen der oprechten: en haare erfenisse zal in eeuwigheid blyven. Zy zullen niet beschaamd worden in den quaaden tyd; en in de dagen des hongers zullen zy verzaadigd worden.
Psal. XXXVII: vers 18, 19.
Spreuken X: 3.
De HEERE en laat de ziele des rechtvaardigen niet hongeren; maar de haave der godloozen stoot hy wech.
Jezaias LXV: 13.
Daarom zeid de Heere HEERE alzo, Ziet
myne knechten zullen eeten, doch gy-lieden zult hongeren: Ziet, myne knechten zullen drinken, doch gy-lieden zult dorsten: Ziet, myne knechten zullen blyde zyn, doch gy-lieden zult beschaamt zyn.
Ezechiel XIV: 13, 14.
Menschen kind, als een land tegen my gezondigt zal hebben, zwaarlyk overtredende, zo zal ik myne hand daar tegen uitstrekken, en zal het zelve den staf des broods breeken, en eenen honger daar in zenden, dat ik daar uit menschen en beesten uitroeije.
Of schoon deze drie mannen Noach, Daniel en Job, in 't midden des zelven waaren; zy zouden door haare gerechtigheid [alleen] haare Ziele bevryden, spreekt de Heere HEERE.
Mattheus V: 6.
Zalig [zyn] die hongeren en dorsten [na] de gerechtigheid: want zy zullen verzadigd worden.
Lukas VI: 25.
Wee u die verzaadigd zyt: want gy zult hongeren: wee u die nu lacht: want gy zult treuren en weenen.