terug  begin  verderprepost
[p. 350]origineel

Het Zwaard.

Is dat des Lams aard?




illustratie


Ik zal u-lieden ook ten zwaarde tellen, dat gy alle u ter slachtinge zult krommen, om dat ik hebbe geroepen, maar gy en hebt niet geantwoord, Ik gesprooken hebbe, maar gy en hebt niet gehoord, maar hebt gedaan dat quaad was in myne oogen, en hebt verkooren 't geene daar ik geenen lust aan en hebbe.
Jez: LXV: 12.

[p. 351]origineel
Verslaat uw zondig nygen,
Dat is het rechte krygen.
 
De krygsman is een scherpe roede,
 
Des toorens Gods, in zyne hand,
 
En doet door zyne slagen bloeden,
 
Het leven van 't gestrafte land.
 
Als wy dat werktuig eens betrachten,
 
Wat baard zyn wreeden overval,
 
Een naare galm, van jammerklachten,
 
En maakt van 't land een jammerdal.
 
De quaade boom word afgehouwen,
 
Die vruchteloos de plaats besloeg,
 
Na dat het oog, van 't albeschouwen
 
Zyn wildaard lang genoeg verdroeg.
 
Maar als de roede is versleeten,
 
En dat haar werk is asgedaan,
 
Dan word zy in het vuur gesmeeten,
 
En moet tot stof en as vergaan.
 
Daarom is 't beter zich te geeven,
 
In staat van een bequaame stand,
 
Op dat men zy, door 't rechte leven,
[p. 352]origineel
 
Een werktuig van Gods rechterhand.
 
Een knecht van zyn genade en liefde,
 
In wiens bereide tafel, schoon,
 
Den vinger Gods, de lessen griefde,
 
Van Jezus, zyn beminden Zoon.
 
Dat Lam, dat onze last quam draagen,
 
Dat niet en scheurde noch en beet,
 
Dat voor zyn vyand wierd geslagen,
 
En voor des werelds zonden leed.
 
Dat heilig Lam dat ons quam leeren,
 
Op 't voorbeeld van zyn eigen staat.
 
Dat zyn Discipel zich zouw weeren,
 
Met liefde en weldoen, tegen 't quaad.
 
Dat Lam, dat onze quaal der zonde,
 
Niet met een storm van vuur en vlam,
 
Maar met de liefde heeft verslonde,
 
Wel aan dan Christen, volg het Lam.
 
Want, wie met wel verlichte oogen,
 
In 's werelds droevig jammerdal,
 
Met zo veel quaalen overtoogen,
 
Een vrucht wil zien van Adams val;
 
Die zie, twee menschelyke benden,
 
Die, elk van zo veel duizend man,
[p. 353]origineel
 
Zich vrees'lyk tot malkander wenden,
 
En op elkand'ren vallen an.
 
Nooit had den een den aar bedroogen,
 
Nooit uitgescholden noch versmaad,
 
Zy zagen nooit malkaêr met oogen,
 
Zy deeden nooit malkander quaad.
 
En zy, die Eng'len zouden weezen,
 
Na 't recht van Gods geschapen beeld,
 
Wiens werking niemant had te vreezen,
 
Met liefde en goedheid ryk bedeeld;
 
Nu, in het tegendeel, bezeten,
 
Gelyk het scherp gepende beest,
 
Dat yzer varken is geheeten,
 
Van alle zyden, waard gevreest:
 
Met scherp gesleepe punt en sneede,
 
Van uitgegraaven berg metaal,
 
't Geen moord-list, slim ten bloede smeede,
 
Op 't heilloos, broederlyk onthaal:
 
Malkander jammerlyk onthaalen,
 
En als een rad van razerny,
 
Uitzinnig door malkander maalen,
 
Tot bloed en stof vermengeld zy.
 
ô Welbron der zachtmoedigheden,
[p. 354]origineel
 
Lam Gods, dat voor ons heenen gaat,
 
Geweldig Vorst van liefde en vrede,
 
Behoed uw volk voor zulk een quaad.

Levitikus XIX: 18.
Gy en zult niet wreeken, nochte [toorn] behouden tegen de kinderen uwes volks; maar gy zult uwen Naasten lief hebben als u zelven: Ik ben de HEERE.

Jezaias X: 5.
Wee den Assirier, [die] de roede mynes toorns is, en myne grimmigheid is een stok in haare hand.

Ezechiel XIV: 17, 18.
Of, [als] ik het zwaard brenge over dat zelve land, en zegge, Zwaard, gaat door, door dat land, zo dat ik daar van uitroeije menschen en beesten:
Of schoon die drie mannen in 't midden des zelven waaren, [zo waarachtig als ik] leeve, spreekt de Heere HEERE, zy en zouden zoonen, noch dochteren bevryden, maar zy zelve alleene zouden bevryd worden.

En Kapittel XXI: 9, 10, 11, 12.
Menschen kind, propheteert, en zegt, Alzo zeid
[p. 355]origineel
de HEERE: Zegd, het zwaard, het zwaard is gescherpt, en ook gevaagt.
Het is gescherpt, op dat het eene slachtinge slachte; het is gevaagt, op dat het eenen glinster hebbe: of wy [dan] zullen vrolyk zyn? het is de roede myns zoons, die alle hout versmaad.
En hy heeft het zelve te vaagen gegeeven, op dat men 't met de hand handelen zoude: dat zwaard is gescherpt, en dat is gevaagd, om 't zelve in de hand des doodslagers te geeven.
Schreeuwd en huild, ô menschen kind, want het zelve zal zyn tegen myn volk, 't zal zyn tegen alle de Vorsten Israëls: verschrikkingen zullen van wegen het zwaard by myn volk zyn: daarom klopt op de heupe.

Mattheus V: 43, 44.
Gy hebt gehoord dat'er gezegd is, Gy zult uwen naasten lief hebben, en uwen vyand zult gy haaten.
Maar ik zegge u, Hebt uwe vyanden lief, zegendze die u vervloeken, doet wel den geenen die u haaten, en bid voor de geene die u geweld doen, en die u vervolgen.

En Kapittel XXVI: 52.
Doe zeide Jezus tot hem, Keert uw' zwaard weder in zyne plaatse: want alle die het zwaard neemen, zullen door het zwaard vergaan.

prepostterug  begin  verder