terug  begin  verderprepost
[p. 372]origineel

De Jonge.

Die ten halve wederkeerd en dwaald niet.




illustratie


En gedenkt aan uwen Schepper in de dagen uwer jongelingschap, eer dat de quaade dagen komen, en de jaaren naderen, van dewelke gy zeggen zult, Ik en hebbe geenen lust in dezelve.
Prediker XII: 1.

[p. 373]origineel
Wel hem die 't quaad,
In tyds ontgaat.
 
Staa stil, staa stil, bedwingt u voet,
 
Al ver genoeg dien weg geloopen,
 
Die gy doch wederkeeren moet,
 
Indien men op wat goeds wil hoopen.
 
Wat weg? Dien weg van tovery,
 
Bestrooid met roozen en vioolen,
 
Dien Fuyk van jammerlyk verley,
 
Dat Hof van dwaalen en verdoolen.
 
Terwyl 't verderf zyn pylen schikt,
 
En onder 't lachen en krioelen,
 
Verborgen op uw herte mikt,
 
Op dat gy 't met de slag mogt voelen.
 
Zy vielen lings, zy vielen rechts,
 
Die voor u dezen weg begingen.
 
Haar mooi verkeerden, in wat slechts,
 
Wech vloogen haar gewenste dingen,
 
Dies weest gewaarschouwd daar gy gaat,
 
En laat u niet voor d'ooren schellen,
 
Tot acht'loosheid van goeden raad,
 
Gelyk uw yd'le speel-gezellen.
 
Stap uit, slap uit, onttrekt u jeugd,
 
Den weg van een rampzalig ende,
 
En wandeld op het spoor der deugd,
 
Daar alle wyzen zich toe wenden.
 
Gy zyt, 't is waar, een frisse bloem,
[p. 374]origineel
 
En rust op 't fleurtje van uw leeven,
 
Maar 's avonds neemt een wind uw roem,
 
Wie weet waar dat gy zyt gebleeven!
 
't Is ydelheid, 't is niet met al,
 
't Bedrog beguicheld uwe oogen,
 
Het lokaas nood u in de val,
 
Op dat gy deerlyk wierd bedroogen.
 
Nu nood u noch een schoone kans,
 
Nu is 't noch tyd om prys te winnen,
 
Behaald uw hoofd een schoone krans,
 
Nu is 't het uurtje van beginnen.
 
Wien word een groote schat beduid,
 
Die reed leid, om maar op te raapen,
 
En steld de wakk're toe tree uit,
 
Met zulke, die haar kans vergaapen?
 
ô Jonge en welgedaane jeugd,
 
Schikt uwe zinnen tot bedaaren,
 
En kiest tot uw gezel, de Deugd,
 
Daar zult gy eeuwig wel meê vaaren.
 
ô Deugd, die 't leeven zo verrykt,
 
Dat alle ding van hooge waarde,
 
Voor uwe meerder waarde wykt,
 
Wat zyn ze wys die met u paarden.

Psalm CXIX: 9.
Waar mede zal de jongeling zyn pad zuiver houden? Als hy [dat] houd na u woord.

[p. 375]origineel
Spreuken VIII: 32, 33, 34, 35, 36.
Nu dan, kinderen, hooret na my: want welgelukzalig zyn ze, [die] myne wegen bewaaren.
Hooret de tucht, en wordet wys, ende en verwerpt [die] niet.
Welgelukzalig is de mensche, die na my hoord, dagelyks waakende aan myne poorten, waarneemende de posten myner deuren.
Want die my vind, vind het leven, en trekt een welgevallen van den HEERE.
Maar die [tegen] my zondigd, doet zyne ziele geweld aan: alle die my haaten hebben de dood lief.

Prediker XI: 7, 8, 9, 10.
Vorder, het licht is zoet, en het is den oogen goed de Zonne te aanschouwen.
Maar indien de mensche veele jaaren leeft, [en] verblyd hem in die alle; zo laat hem ook gedenken aan de dagen der duisternisse: want die zullen veele zyn; [en] al wat gekomen is, is ydelheid.
Verblyd u, ô jongeling, in uwer jeugd, en laat u herte u vermaaken in de dagen uwer jongeling schap, en wandeld in de wegen uwes herten, en in de aanschouwinge uwer oogen: maar weetet, dat God, om alle deze dingen u zal doen komen voor 't gerichte.
Zo doet dan de toornigheid wyken van u herte, en doet het quaade wech van uwen vleese, want de jeugd en de jongheid is ydelheid.

prepostterug  begin  verder