Die ten halve wederkeerd en dwaald niet.

En gedenkt aan uwen Schepper in de dagen uwer jongelingschap, eer dat de quaade dagen komen, en de jaaren naderen, van dewelke gy zeggen zult, Ik en hebbe geenen lust in dezelve.
Prediker XII: 1.
Psalm CXIX: 9.
Waar mede zal de jongeling zyn pad zuiver houden? Als hy [dat] houd na u woord.
Spreuken VIII: 32, 33, 34, 35, 36.
Nu dan, kinderen, hooret na my: want welgelukzalig zyn ze, [die] myne wegen bewaaren.
Hooret de tucht, en wordet wys, ende en verwerpt [die] niet.
Welgelukzalig is de mensche, die na my hoord, dagelyks waakende aan myne poorten, waarneemende de posten myner deuren.
Want die my vind, vind het leven, en trekt een welgevallen van den HEERE.
Maar die [tegen] my zondigd, doet zyne ziele geweld aan: alle die my haaten hebben de dood lief.
Prediker XI: 7, 8, 9, 10.
Vorder, het licht is zoet, en het is den oogen goed de Zonne te aanschouwen.
Maar indien de mensche veele jaaren leeft, [en] verblyd hem in die alle; zo laat hem ook gedenken aan de dagen der duisternisse: want die zullen veele zyn; [en] al wat gekomen is, is ydelheid.
Verblyd u, ô jongeling, in uwer jeugd, en laat u herte u vermaaken in de dagen uwer jongeling schap, en wandeld in de wegen uwes herten, en in de aanschouwinge uwer oogen: maar weetet, dat God, om alle deze dingen u zal doen komen voor 't gerichte.
Zo doet dan de toornigheid wyken van u herte, en doet het quaade wech van uwen vleese, want de jeugd en de jongheid is ydelheid.