terug  begin  verderprepost
[p. 376]origineel

De Oude.

ô Kostelyke Tyd.




illustratie


Daarom ook, terwylen de ouder dom en gryzigheid daar is, en verlaat my niet, ô God; tot dat ik [dezen] geslachte verkondige uwen arm; allen nakomelingen, uwe-macht.
Psalm LXXI: 18.

[p. 377]origineel
Den boom die wast, En worteld vast.
 
ô Ouderdom, van veele jaaren,
 
Hebt gy den Schat der deugd vergaart,
 
Dat is uw kroon der gryze haaren,
 
Dan zyt gy wys, en wel bedaard.
 
Maar hebt gy al u lange leeven,
 
Het veld van ydelheid geboud,
 
Zo zyt gy kinds, en onderbleeven,
 
Al waard gy honderd jaaren oud.
 
En in de plaats van 't licht der eeren,
 
Bevalt u duiternis van smaat,
 
Gelyk de geen die niet en leeren,
 
Ter plaatse daar me om wysheid gaat.
 
Uw plaats, ter leering, was op aarde,
 
Uw tyd, van uwe kindsheid af,
 
Daar gy zo menigmaal verjaarde,
 
Tot, met uw eene voet in 't graf.
 
Gy hebt gedronken en gegeeten,
 
Gy hebt gearbeid, of beschikt,
 
En 't recht bestel hebt gy vergeeten,
 
En onder 't aards bedryf verstikt.
 
Gy hebt geoefend, en geleezen,
 
Gy hebt een vreemde spraak geleerd.
 
Op dat men immers wys zouw weezen,
 
Een wysheid, die de wereld eerd.
 
Dat alles, mag de Ziel niet baaten,
 
Men noemd uw slach van wysheid lift,
 
Wyl gy, in al uw doen en laaten,
[p. 378]origineel
 
't Begin der wysheid hebt gemist.
 
Maar waardige Ouderdom der deugde,
 
Gy hebt een vette grond geboud,
 
Op dat gy oogst, een eeuw'ge vreugde,
 
Uw leeven wierd ter eeren oud.
 
Uw Ouderdom zal zich verjongen,
 
Noch schoonder als de frisse jeugd,
 
Zo dat u lof nooit word volzongen,
 
ô Nieuwe spruit, uit oude deugd!
 
Uw onvermogen zal verdwynen,
 
Den rimpel uit het aangezicht,
 
Uw kromte, uw swakten, en uw pynen,
 
Gelyk de Nacht voor 't Morgen-licht.
 
ô Mensch! tot eeuwig Heil gebooren,
 
Maak dat gy in den ouden dag,
 
Uw schoone tyd niet hebt verlooren
 
Waar in men God behaagen mag.

Psalm CXIX: 100.
Ik ben voorzichtiger dan de Oude, om dat ik uwe bevelen bewaard hebbe.

Spreuken IX: 10.
De vreeze des HEEREN is het beginsel der wysheid: en de wetenschap der beiligen is verstand.

Prediker IV: 13.
Beter is een arm en wys jongeling, dan een oud
[p. 379]origineel
en zot Koning, die niet en weet van meer vermaand te worden.

En Kapittel XII: 1, 2, 3, 4, 5.
En gedenkt aan uwen Schepper in de dagen uwer jongeling schap, eer dat de quaade dagen komen, en de jaaren naderen, van welke gy zeggen zult, Ik en hebbe geenen lust in dezelve.
Eer dan de Zonne, en het licht, en de Maane, en de Sterren verduistert worden, en de wolken weder komen na den regen.
In den dage wanneer de wachters des huizes zullen beeven, en de sterke mannen haar zelven zullen krommen: en de maalsters zullen stille staan, op dat zy minder geworden zyn: en die door de vensteren zien, verduistert zullen worden.
En de twee deuren na de straate zullen gesloten worden, als 'er is een nedrig geluid der maalinge, en hy opstaat op de stemme des vogelkens, en alle de zangeressen neder gebogen zullen worden.
Ook [wanneer] zy haar voor de hoogte zullen vreezen, en dat 'er verschrikkinge zullen zyn op den weg, en d'amandel-boom zal bloeijen, en dat de springhaanen zich zelven een last zullen wezen, en dat de lust zal vergaan: want de mensche gaat na zyn eeuwig huis, en de rouwklaagers zullen in der straate omgaan.

prepostterug  begin  verder