Doodet dan uwe leden die op de Aarde zijn. Col. 3 vers 5.
Indien uwe rechterhandt u ergert, houdtste af, ende werptse van u. Matth. 5. vers. 30.

Het Vleesch begeert tegen den Geest en de Geest tegen het Vleesch: en dese staan tegen malkanderen. Gal. 5. vers 17.
Den ouden Adam spreekt: ô arme Ziele! waarom
soeckt ghy niet des wereldts gunst en vrindtschap?
waarom tracht ghy niet na tijdelijke eere, na wellust en
rijckdom; op dat het u in dese wereldt welga? waarom
maakt gy u tot een dwaas der wereldt, en zijt yder eens
Uyl en voetveegh? waarom laat ghy u van dese verach-
ten, welcke minden zijn, en weten als ghy? kond ghy
oock niet met de geveynsden daar heen draven, so waart
ghy lief en u geschiede geen leet; ghy waart uws lijfs en
goedts sekerder, als op dezen wegh, daar ghy maar des
werelts Uyl en Geck zijt.
Maar de Wysheyt Godts spreeckt: Ghy mijn
lieve Ziele die ick uytverkoren heb, gaat met my, ick
ben niet van dese werelt, ick wil u uyt dese werelt voe-
ren in mijn rijck, daar is louter sachte ruste en welvaren;
daar is in mijn rijcke louter vreughde, eere en heerlijck-
heyt: daar is geen Drijver in: ick wil u verçieren met
Godts heerlijckheyt, en u aantrecken mijn schoon çie-
raad: ick wil u tot een Heere maken in den Hemel, en
tot een richter over dese werelt, gy sult helpen oordee-
len den Drijver in zijne boosheyt: hy sal leggen tot een
schabel uwer voeten: hy sal sijnen mondt niet op doen
tegen u, maar sal eeuwigh vergrendelt zijn in sijnen
grimmigen toorn: ghy sult eeten van mijne tafel: daar
sal gheen misgunt ofte gebreck zijn: mijne vrucht is
soeter in lieffelijcker als de vrucht deser wereldt, ghy
hebt daar nooit weedom van. Al u doen sal zijn vriende-
lijck lachen, en lieflijck spreken: voor u sal verschijnen
louter ootmoedigheyt in groote liefde. Uw gespelen
zijn toch soo schoon, ghy sult aen allen vreugde heb-
ben: Waerom acht gy dat verbrekelijke leven? Gy
zult ingaen, in een onverbrekelijk, dat eeuwig duirt.
So u dan groote eere voor uwe smaet ontmoet, waer-
om treurt gy? Rijst uyt als een bloem uyt'er aerden uyt u
Dier.*
Dat wilde Dier spreekt tot de Ziele: Ik ben evenwel
uw Dier, en in my zijt gy gebooren; waer ick niet gewas-
schen, soo waert gy ook niet. Maer de Ziele antwoort:
Hoor, mijn Dier, ik ben groter als gy daer gy sout wor-
den, waer ick u werckmeester: mijne hoogste krach-
ten zijn uyt den wortel der eeuwigheyt; maer gy zijt van
dese werelt, en verbreekt, doch ik leve in mijne† Wel
eeuwig, daerom ben ik veel edeler als gy. Gy leeft in
een grimmigen Wel; maer ik wil mijn grimmige Wel
in 't licht, in die eeuwige vreugde setten. Mijn werken
staen in kracht, en uwe blijven in de figuur. So ik eens
van u ontslagen worde, so neem ik u niet weder tot
mijn Dier aen; maer mijne nieuwe lift het welke ick in u
bare, in uwen diepsten wortel des heiligen Elements.
Ick wil uwe ruwe uytgeboorte der vier Elementen niet
meer hebben, de doodt verslindt u: Maer ick groene
met mijn nieu lijf uyt u, als een bloem uyt zijne wortel.
Ick wil u vergeten: want Godts heerlijkheyt, die u met
de aerde vervloekten, heeft mijne wortel in sijnen Sone
weder ingelijft, ende mijn lijf wast in 't heilige Element
voor Godt; daerom zijt gy maer mijn wildt dier, dat
my alhier krenckt en plaegt, op welk den Duyvel rijdt
als op zijn vervloekt paert. En of u de werelt bespot, dat
acht ik niet, sy doet het om mijnent wille, sy kan my
toch niet zien, en kent my oock niet; waerom is sy dan
also dol? sy kan my niet vermoorden, want ik ben niet
in haer.