Salig [zijn] de reyne van herten: Want sy sullen Godt sien. Matt. 5. vers 8.

Want sijne onsienelijke dingen worden van de scheppinge der Werelt aen, uyt de Schepselen verstaen ende doorsien, beyde sijne eeuwige kracht ende Goddelijkheyt, op dat sy niet te verontschuldigen en souden zijn. Rom. 1. vers. 20.
Dat uytwendige is een openbaringe van dat inwendi-
ge. Wanneer ik spreek, so zijn die uyterlyke woor-
den een openbaring van het inwendige woordt dat sich
in mijn herte op doet. Dese sichtbare werelt is niet an-
ders als een uytgeboorte van de inwendige werelt; al wat
wy hier sien dat is ook inwendig in 't onsichtbare. Gelijk
als wy hier vinden licht en duysternis, so is inwendig
oock een eeuwig licht en een eeuwige duysternis; doch
niet veranderlijk gelijk als dagh en nacht; maer die duy-
sternis is eeuwig in het licht verborgen, gelijk oock dese
uyterlijke duysternis, buyten de plaets der Aerde, altijdt
in het licht der Sonne verslonden ofte verborgen is, en
blijft doch wesentlijk duysternis gelijk wy dat aen de
nacht sien, die niet anders is als een schaduw van de gro-
ve Aertkloot, die de stralen der Sonne ophoudt, en de-
wijl dan het licht daer niet heen reycken kan, so wort de
verborgen duysternis aen ons openbaer. Die eeuwige
duysternis (verstaet de inwendige) is den toorn Gods, en
de Hel daer inne de Duyvelen wonen, mitsgaders de
verdoemde Zielen. En dat eeuwig schijnende licht is
het Hemelrijk, een woning der H. Engelen en Zielen.
In de plaets deser werelt is overal Hemel en Hel tegen-
woordig; maer na den inwendigen grond.
In Godts kinderen is inwendig dat Goddelijke werken
openbaer, en in den Goddelosen dat werken der pijne-
lijke duysternis.
Den plaets des eeuwigen Paradijs is in dese werelt in
den inwendigen gront verborgen, en in den inwendigen
mensch, so Godts kracht in hem werckt, openbaer.
Van dese werelt sullen maer die vier Elementen met het
Gesterrente en de aertsche Creaturen vergaen, als dit
uyterlijke grove leven aller dingen: Die inwendige
kracht aller Wesen blijft eeuwig.
Nu gelijk wy hier uyterlijk vuur hebben, so isser ook
een inwendig Geestelijk vuur, het welck is de natuur
des eeuwigen Vaders; want de ziele is selve een Magies
vuur en het licht dat uyt haer schijnt is haren geest.
En gelijk wy hier water sien, so is'er ook een Geeste-
lijk water wesentlijk, het welck is dat water des eeuwi-
gen levens, daer ons Christus op noodt, op dat ons zie-
len vuur daer mede gelaeft sou worden.
En gelijk als hier lucht is, so is'er oock een inwendige
lucht, welke is den H. Geest.
En gelijk als wy hier Aerde hebben, so is 'er oock een
inwendige Heylige Aerde, welke is de Goddelijke we-
sentheyt die de eeuwige wijtte vervult, die (al is sy
schoon een Geest,) dicker en begrijpelijker is als de
klare Godtheyt. Uyt dese H. Aerde wasschen allerley
Bomen, Kruyden en Bloemen, niet dat men 't by sulke
dingen vergelijkt, maer wesentlijk gelijk hier is dese we-
relt, maer niet so grof en begrijpelijk, en doch gefor-
meert en met schone verruwen; het is alles Kracht. Op
Hemelse, Geestelijke aert, is het grijpelijk en smakelijk.
Indien nu hier sulck een grooten schoonheyt en soe-
tigheyt kan gevonden worden, in de dingen daer goet
en quaet onder elkander vermengt zijn, als een uytge-
boorte of openbaringe van het Rijke des Lichts en het
Rijke der Duysternisse, wat sal het dan zijn ter plaetse
daer het goede alleen maer openbaer is? De moeder en
oorspronck van alle schoonheyt en soetigheyt, tot de
welke ons Godt roept. Hy wil niet dat wy op het uyter-
lijke blijven rusten; maer dat wy daer door vorder ge-
wesen worden, om de eeuwige schoonheyt en soetheyt
te erlangen.