Komt herwaerts tot my alle die vermoeyt ende belast zijt, ende ick sal u ruste geven. Matth. 11. vers 28.
Al waren uwe sonden als scharlaken, sy sullen wit worden als sneeuw. Jes. 1. vers 18.

Twist Heere met mijne twisters; strijdt met mijne bestrijders. Grijpt den schilt ende rondasse, ende staet op tot mijner hulpe. Psalm 35. vers 1.2.
Wanneer in de Ziele den vonck der liefde Godts
openbaer wordt, so besiet sy haer selve, met haren
wille ende werken, en wordt gewaer, dat sy in der Hel-
len, in den toorn Godts staet, en bekent, dat sy een wan-
schapen Monster voor Godt ende het Hemelrijk is; daer
over sy so seer verschrikt, dat in haer een grooten angst
opwaekt; maer sy sal niet vertwijfelen. Christus roept
haer ter bekeringe, sy kome maer, so wil hyse verlossen
van het beeldt der Slange. Soeck niet wijtlopig na den
rechten weg.
Men vint die nieuwe wedergeboorte niet in twist,
oock in gener wijsen vernuft: Gy moet alles wat in dese
werelt is; het sy so hoog glinsterende als het wil, varen
laten, ende in u selven ingaen, en maer uwe sonden, in
dewelke gy gevangen zijt te samen op eenen hoop ra-
pen, en in de barmhertigheyt Gods en tot Godt vluch-
ten, en hem om vergevinge bidden, en om verlichtinge
sijns Geestes.
Niet lange disputeren, maer ernst: want den Hemel
moet briezelen, en de Helle zitteren, en het geschiet
oock Gy moet alle sinnen, met vernuft, en alles wat u
in den wegh komt, daer in setten, dat gy niet wilt van
Godt aflaten, hy zegene u dan; gelijk Jacob den gant-
schen nacht met Godt worstelden. Wanneer schoon uw
geweten seght louter neen, God wil u niet, so wil ick
toch hem, ick late van u niet af, men drage my dan in
het graf: Mijn wille sy u wille, ick wil wat gy Heere
wilt; en of schoon alle Duyvelen om u stonden, en spra-
ken verbeyt, het is op eenmael genoeg; so moet gy seg-
gen neen, mijn sin en wille sal niet buyten Godt ko-
men; sy sullen eeuwig in Godt zijn. Sijne liefde is gro-
ter dan al mijne sonden. Hebt gy Duyvel en Werelt het
sterffelijke lijf in uwe gevangenis, so heb ick mijnen
Heylandt en wederbarer in mijne Ziele, die sal my een
Hemels lijf geven, dat eeuwig blijft.
Versoekt het maer also, gy sult wonder ervaren; gy
sult 'er haest een in u bekomen, die u sal helpen worste-
len, kampen en bidden: en of gy schoon niet veel woor-
den kunt, daer leyt niet aen gelegen, al kont gy maer dat
eene woordt des Tollenaers: Ach Godt zijt my arme Son-
daer genadigh: wanneer maer uwen wille met alle ver-
nuft en sinnen in Godt geset zijn; om van hem niet af te
laten, al soude schoon lijf en ziele verbrijzelen; so houdt
gy Godt, en breekt door Doodt, Helle, en Hemel,
en gaet in den Tempel Jesu Christi in, tegen het ver-
weeren aller Duyvelen: Godts toorn kan u niet behou-
den, hoe groot en machtig die oock in u zy: En of lijf
en ziele in den toorn branden, en stonden midden in der
Hellen by alle Duyvelen, so scheurt gy doch daer uyt,
ende komt in den Tempel Christi, daer erlangt gy den
hoog-edelen en hoogweerdigen Peerlen Kroon.