SO wie ick lief hebbe, die bestraffe ende kastijde ick, Apoc. 3. vers 19.
Voor eenen kleynen oogenblick hebbe ick u verlaten: maer met groote ontfermingen sal ick u vergaderen. Jes. 54. vers 7.

Ick dede mijn Liefsten open, maer mijn Liefste was geweken, hy was doorgegaen: mijne ziele gingh uyt van wegen sijn spreken, ick socht hem, maer ick en vondt hem niet, ick riep hem, doch hy en antwoorde my niet. Cant. 5. vers 6.
In den Hemel is altijdt blijdschap, in der Hellen is
altijdt droef heyt; in de Werelt is 't voor eenen tijdt al-
le beyde om de goede en quade menschen te beproeven.
In den Somer zijn de dagen klaer, en in den Winter zijn
sy duyster; also is 't oock met een aendachtige Ziel: als
Godts genade komt en haer verlicht, dan kent en ver-
staet sy veel verborgen dingen; dan singht sy en toont
blijdtschap met groote aendachtigheyt, die sy gevoelt.
Maer ten tijde der aenvechtinge, als de genade der aen-
dachtigheyt ontrocken wordt, dan is sy in den winter en
in de koude, in duysterheyt des verstandts, ende in vrese
des gemoets: als dan is verduldigheyt nootsakelijck ende
Godt aengenamer, en de deughden wasschen in tegen-
spoet, ende den eeuwigen loon wordt door verduldig-
heyt grooter.
De Ziele wordt ootmoedigh ende suyver door geesse-
len, door hovaerdye wordt sy beschaemt, en door ydele
eere verdwijnt sy. So lange als de Ziel in 't lichaem
leeft, wordt sy in beyde geoeffent tot meerder voort-
gangh in de liefde Jesu. Daerom is 't een groote kunst,
ende een groote kracht, het goedt en het quaedt wel
te gebruycken. Daerom mijn Ziele looft den Heere al-
tijdt; looft uwen Godt dagh en nacht, ende hy sal uwen
grooten loon aen alle zijden wesen; voor Godt in den
Hemel, en op der Aerden sullen u alle dingen dienen,
voorspoedige en tegenspoedige, goede en quade, blyde
en droevighe; waer van den Apostel Paulus seydt:
Ende wy weten dat den genen die Godt lief hebben, alle
dingen mede-werckenten goede. Rom. 8. vers 28.
Vreest
den Heere, ghy sijne heyligen, want die hem vreesen en heb-
ben geen gebreck. Psal. 34. vers 10.
Als ghy voelt dat ghy dor, kout ende bedroeft zijt in
uwe ghebeden en overdenckinghe, soo en sult ghy daer-
om niet wanhopen, nochte ophouden van Jesum oot-
moedigh aen te roepen; maer looft en danckt Godt in
de armoede uwes geestes, ende leest tot u vertroostinge
geern dit vers: De arme ende ellendige ô Heere, sullen u-
wen name loven. Psal. 74. vers 20.
Want veel heylige en
aendachtige Mannen hebben oock somtijts dorre, ende
langen tijdt van Godt verlaten geweest, op dat sy gedul-
digheyt ende medelijden souden leeren, door het proe-
ven van pijn ende gebreck; en dat sy hun van hun selven
niet te veel en souden laten dunken, ten tijde der aen-
dachtigheyt en verheuginge.
Siet op het Lam Godts, en leert gelatenheyt. Onsen
allerliefsten Heere Jesus Christus, was voor onse sonden
in den winter der dorrigheyt also verlaten van sijnen Va-
der, (in helpender wijse) en van de Godtheyt (met wel-
ke hy doch natuurlijck vereenigt waer) dat geen eenigen
droppel sijner Godtheyt, de kranke doorlijdende Mens-
heyt, een oogenblick te hulpe quam, in alle sijne no-
den en onuytspreeckelijck lijden, hy was onder alle
Menschen de verlatenste, en sonder alle hulpe, dat hiet
in der Hellen varen. Wie in sulke verlatene gelatenheyt
Christo konde navolgen, die waer ders Hemelrijcks se-
ker. In dese verlatene gelatenheyt, van Godt en alle
Creaturen, leyt verborgen de overwesentlijke eeuwige
Somer, de zaligheyt. Wanneer het wel wintert, dan
somert het oock wel.