Ick sal u verlossen van alle uwe onreynigheden. Ezech. 36. vers 29.
Acht het voor groote vreughde, mijne broeders, wanneer ghy in veelerley versoeckinge valt. Jac. 1. vers 2.

Indien ons Herte ons niet en veroordeelt, so hebben wy vrymoedigheyt tot Godt. 1 Joan. 3. vers 21.
En verschrickt noch en bedroeft u niet, ô godtlieven-
de mensch, al hebt ghy onreyne invallende gedach-
ten en lasteringen, als ghy uwen wille daer niet in en
geeft, en dat het u seer leet is, soo weest te vreden en
maeckt'er geen geweten van. Denck dat gy met uw ver-
losser Jesus Christus bespogen wort, en lijdt het gewil-
ligh om sijnent wille. Weet dat hy aen u niet en sal laten
geschieden, of het sal u tot groote saligheyt gedyen, is't
dat ghy u daer verduldigh in draeght. Gelijck als het fijn
Gout, hoe dat meermalen door het vuur gaet, hoe dat het
reynder en edelder wordt: soo oock den edelen mensch
in zijn lijden, versoeckinge ende aenvechtinge: want
hoe die selve aenvechtingen onreynder, booser ende on-
uytsprekelijcker zijn, hoe de mensche hier door al meer
gereynigt en geloutert wort; want wat tegen den vryen
Wille des menschen is, daer kan geen doodt-sonden in
geschieden: maer het is den mensche, bereydende tot
een hooger verdienen en genieten in het eeuwige leven
Paulus seyt: niemant en wort gekroont, dan die ridder-
lijck strijdt, en daer in volhart tot den eynde toe. Want ick
seg u, wat tegen uwen vryen Wil is, het sy soo boos en-
de onreyn als het wil, hovaerdigheyd, gierigheyt, on-
kuysheyd, ofte yets anders, dat en is u niet bevleckende
maer veel meer reynigende, louterende en bereydende
tot onsen Heere, en tot bysondere genade. Daerom hebt
goede moed, zijt vrolijck, en niet treurigh noch swaer-
moedigh, of u somtijts boose onreyne gedachten in val-
len, sy zijn soo boos alse willen, en stoot u daer niet aen;
want soo sy tegen uwen wille invallen, soo laetse oock
wederom uytvallen.
Ende of u dit aldermeest toevalt in uw gebedt, ende
in uwen toekeer tot Godt; laet dat recht zijn in de na-
me Godts, en lijdt dese aenvechtinge en onreyne vuylig-
heydt, ootmoedig en gelaten, door den wille Godts.
Weet dit, de mensche mag hem hier in soo ootmoedigh
dragen om de wille Godts, dat hy daer door tot sulcken
genade komt, dat het hem geheel vremt was indien hy
door desen wegh niet was gegaen. Maer den mensch en
sal hem in desen tegenwerp en lijden niet behelpen, noch
met woorden, noch met wercken: maer alleen bloot
met Godt, en hy sal dit dragen met een goedertieren
herte, en sich selven hierom niet pijnigen van binnen
noch van buyten. Wanneer 't dan den hemelschen Va-
der tijdt dunckt, soo kan hy u sonder alle twijfel daer wel
van verlossen, en u voor dese pijnelijcke aenvechtinge
met hem selven duysentvoudigh verheugen. Daerom
draegt u goedertieren, en doet de waerheyt eenvoudig
genoegh, ende wat op u valt, zijt daer in u selven onbe-
holpen: want wie hem selven te veel helpen wil, die
wort van Godt noch van de waerheyt niet geholpen. Die
gene die Godt lief hebben, seght Paulus, gedyen alle din-
gen ten goede.