DEgodtlcose, seyt mijn Godt, en hebben genen vrede. Isa. 57. vers 21.
Sy sullen rusten op hare slaepsteden, een yelijck die[in]. sijn oprechtigheyt gewandelt heeft. Vers 2.

Laet ons dan ons beneerstigen om in die ruste in te gaen: op dat niet yemant in dat selvg exempel der ongelovigheyt en valle. Hebr. 4. vers 11.
Geen dingh en heeft ruste voor dat het is daer het
t'huys hoort, dat is in synen eersten oorspronck.
Werpt een steen om hoog, hy sal weder ter aerde vallen,
hy sal niet rusten voor dat hy weder op de aerde leyt,
want de aerde is syn substantie en zyn oorspronck. Ons
lichaem, dewyl het oock een aertsche substantie is, en
sal mede niet rusten voor dat het weder in de aerde is:
Maer onse edele Ziel, die een Geest is, en na het beeldt
en de gelyckenisse Godts, van Godt geschapen, en een
eeuwigh wesen in Godt gehadt heeft, die is altydt onge-
rust en ongetroost eer dat sy in Godt rust, en met Godt
vereenight is.
Dat vuyle aertsche vleesch mag haer wat bedriegen,
verleyden, en met hem ter aerde neder trecken, en een
tydt langh met tydelijcke vermakelijckheden, en vlee-
schelijcke wellusten onderhouden; maer als sy weder
tot haer selven keert, en in haren grondt siet, dan sucht
sy weder als een ballingh die uyt sijn landt verstooten
is, en als een kindt dat sijn Vader verloren heeft: Want
de Ziele is van Godt soo edel, subtijl, geestelijck en god-
delijck geschapen, dat haer geen dingh en kan versadi-
gen, en in vrede doen rusten, dan Godt selve; want als
sy in God niet rust, soo is sy altydt onversaedt en onge-
rust. Soo roept nu Godt soo vriendelijck, de edele Zie-
le, die 't (als een duyve) alles overvlogen, en nergens
ruste gevonden heeft, tot sich, seggende: Komt tot my
alle die belast en beladen zijt, ick sal u verquicken.
Komt tot Godt, in alle dingen hebt ghy ruste gesocht,
ende niet gevonden. Komt tot Godt, in hem sult ghy
salige ruste vinden, want hy is uw Godt, uw oorspronk
hy is de eeuwige ruste der salige geesten. Ghy hebt een
eeuwigh ongeschapen wesen in hem, en een geschapen
wesen van hem; daerom alle creaturen die met u in der
tijdt van Godt geschapen zijn, die wijsen u van haer, seg-
gende: Wy zijn met u geschapen creaturen eens Godts
en Scheppers, wy en hebben geen ruste in ons selven,
hoe soud ghy dan ruste in ons vinden? daerom gaet tot
uwen oorspronk, daer uwen geest af gekomen is, en in
hem sult ghy eeuwige en salige ruste vinden.