Sijt nuchteren [ende] waeckt: want uwe tegenpartye de Duyvel, gaet om als een briesschende Leeu, soeckende wien hy soude mogen verslinden. 1 Petr. 5. vers 8.

Wie is de man die den Heere vreest? hy sal hem onderwijsen in den wegh, dien hy sal hebben te verkiesen. Psalm 25. vers 12.
Mijne oogen zijn gedurighlijck op den Heere, want hy sal mijn voeten uyt het net uytvoeren. Vers 15.
Den Duyvel is een duysent konstenaer, de wijde we-
relt is vol van sijne listige aenslagen, bedriegelijke
stricken en netten, hy loert de Ziele na als een behendi-
ge vogelvanger, de grove sondaers soeckt hy dieper en
dieper in sonden te storten, en door wereltlijcke dingen
op te houden van de hemelsche, en die alrede op den
goeden wegh zijn soeckt hy weder te verleyden, die al
vergekomen sijn, in de selve soeckt hy de eygenheyt aen
te stoocken, om haer te verheffen in Geestelijcke hovaer-
dye, en hy kan sich wel voor doen als een Engel des
Lichts, dat een geoeffende Ziele genoeg te doen heeft,
om te onderscheyden, of het Goddelyk of Duyvels zy
het gene hem som wylen voor komt.
Welck is dan de veyligste wegh, om dese gevaerlyk-
heden te mogen ontgaen?
Geen andere als de eenvoudige wegh der ware oot-
moedigheyt.
De wille des menschen sal sich met alle vernuft en be-
geerte, gantsch in sich versincken als een onwaerdigh
kindt, dat de hooge genade Godts niet waert is, hem ook
geen weten noch verstandt toemeten, oock geen ver-
standt in de creatuurlijke self heyt van Godt af bidden,
noch begeren; maer sich maer slecht en eenvoudigh in
de liefde en genade Godts, in Christo Jesu insincken, en
sijn vernuft en self heyt in 't leven Gods, gelijk als doodt
te sijn, begeren, en sich het leven Gods in de liefde
gantsch overgeven, dat hy daer mee doe als met zijn
wercktuyg, hoe ende wat hy wil. Geen dichten in god-
delijke saken ofte menschelijken gronde, sal sich dat ey-
gen vernuft voornemen, oock niet willen ofte begeren
als maer Godts genade in Christo alleen, gelijck als een
kindt dat maer gedurig na des Moeders borst haeckt, al-
soo sal den honger maer gestadigh in Gods liefde ingaen,
en sich gantsch niet van sulken honger laten af breken,
wanneer dat uyterlijke vernuft in 't licht triumpheert en
spreekt: Ick hebbe dat ware kindt, soo sal haer de wille
der begeerte ter aerde buygen en in die hoogste Ootmoe-
digheyt en slechten onverstandt invoeren, en tot haer
seggen: gy zyt sot, gy moet u in die selve met groote
ootmoedigheyt inwinden, en gantsch in u te niete wor-
den, u oock noch kennen, noch lief hebben, alles wat
aen, en in us is moet sich nietig, maar bloot een werck-
tuygh Gods achten en houden, en die begeerte alleen
in Gods erbarmen, invoeren, en van alle eygen weten
en willen uytgaen, het ook alles voor nietigh houden,
en geen wille scheppen om ooyt in, na, ofte ver daer
weder in te gaen.
En soo dit geschied, soo treedt de natuurlyke wille
in syne onmacht, en den Duyvel heeft ook geen ver-
mogen meer om hem alsoo te siften met syne valsche be-
geerte, want die plaetsen syner ruste worden hem
gantsch dor en onmachtigh.