DIe mijn vleesch eet en mijn bloedt drinckt, die blijft in my, ende ick in hem. Ioan. 6. vers 56.
Op dat sy alle een sijn, gelijkerwijs gy Vader in my, ende ick in u, dat ook sy in ons een zijn. Ioan. 17. vers 21.
Ick in haer, ende ghy in my. Vers 23.

Die den Heere aenhanght, is een geest [met hem.] 1 Cor. 6. vers 17.
Indien wy met hem een plante geworden zijn in de gelijckmakinge sijns doodts, soo sullen wy het oock zijn [in de gelijckmakinge sijner] opstandinge. Rom. 6. vers 5.
WAnneer wy het woort liefde noemen, soo meenen
wy daer mede een vereenigende kracht, die van
hem, die daer lief heeft, en van den genen die ghelieft
wordt, begeert een dingh te maken. Doch dewijl het
niet mogelijck is dat twee dingen geheel en in alle ma-
nieren een dingh souden werden, of het eene most
gantsch vergaen; soo soeckt de liefde evenwel die alder-
naeste en bequaemste vereenigingh. En alhoewel het is
dat de gelijckenissen den mensch een weynigh konnen
onderwijsen, soo zijnse nochtans de ware vereenigingh,
die de Ziele met Godt hebben magh, soo ongelijck, als
Godt hooger is als alle creaturen.
Siet den geënten boom, de ente wordt door het voed-
sel der aerde met den stam een boom, alsoo wordt de
Ziele door het voedtsel der genade en liefde een geest
met den Geest Godts.
Wanneer men een droppel waters in een vat met wijn
laet vallen, soo verandert dat water in wijn, het verliest
zijn eygen natuur, en neemt de natuur van den Wijn
aen, in verwe, reuck, smaeck, en alle krachten: Alsoo
valt oock de Ziel in die ongemetenheyt Godts, als een
druppel waters in de grootheyt der Zee, en sy behoudt
alleen dat wesen der Zielen, maer alle de krachten zijn
vergoot: dat is met Godt doorvloeyt, gelijck een sterre,
die van naturen duyster zijnde, met de klaerheyt der son-
ne doorvloeyt wordt.
Daer is noch een gelijkenisse van twee spiegels, wan-
neer men de selve tegen elkanderen stelt, soo ontfanght
elck des anderens beeldt geheel in hem, met zijn eygen
beeldt, dat in den anderen spiegel gebeeldt is, alsoo
is't oock met de eeuwigheydt en des menschen herte;
wanneer uyt het boeck der Liefde dese woorden vervult
worden: Mijn Liefste is tot my gekeert en ick ben tot hem
gekeert, dan zijn dese twee Spiegels tegen elkander ge-
set. Als Godt dan de Ziele verklaren wil met het licht
der Majesteyt, soo ontfanght de Ziele dat beeldt en de
klaerheydt, en het bekennen en gebruycken Godts in
haer selven volkomen, en haer eygen bekennen en ge-
bruycken in Godt, veel volmaeckter als die uyterlijcke
spiegels doen, want die blijven altoos wesentlijck van
elkander gescheyden; maer de Ziele, alsoo dra als sy dat
heerlijcke beeldt des eeuwigen spiegels in zijne onbegrij-
pelijcke klaerheyt ontfanght, soo wordt sy in dien selven
oogenblick, met dien onbegrijpelijken, heerlijcken,
klaren goddelijcken spiegel vereenight, en daer in ver-
slonden en versmolten, gelijck een droppel waters in
den wijn versmelt, ofte als een vliegende vonck in een
groot vuur.