VRede late ick u, mijnen vrede geve ick u: niet gelijkerwijs de wereldt [hem] geeft, geve ick [hem] u. Uw herte en worde niet ontroert, noch en zijt niet versaeght. Joan. 14. vers 27.

De Heere is mijn licht, ende myn heyl, voor wien soud ick vresen? De Heere is mijn levens-kracht, voor wien soude ick vervaert sijn? Psalm 27. vers 1.
Iohannes lagh op de borst van onsen aldersoetsen
Heere Jesus, als dit een liefhebbende Ziele leest
soo ontvonckt haer het gemoedt.
ô! Hoe soet is het te rusten op het herte Jesu! Je-
sus is de eeuwige liefde des Vaders, en de eeuwige we-
sentlijcke sachtmoedigheyt, de toorn en de gestrengheyt
wordt van hem verslonden, en alle ongestuymheydt
moet sich voor hem nederleggen.
Wie op dese heylsame plaets begeert te rusten, die
moet alle valsche rust op creaturen gevest, verlaten.
Ghy zijt seer verdoolt soo ghy ergens ruste soeckt als
in Godt.
Wie in Godt rust, hoeft niets te vresen, want Godt is
meerder dan alle creaturen. Maer wie in eenige crea-
tuur rust, staet gedurigh in vrese, dat hem zijn rust van
een andere creatuur sal verstoort en verbroken worden,
ende oock, waer noch vrees is daer is geen ware ruste.
Psalm 91.
Die in de schuyl-plaetse des alderhooghsten is
geseten, die sal vernachten in de schaduwe des almachtigen. Ick sal tot den Heere seggen; mijne toevlucht, ende mijn
burght: mijn Godt op welcken ick vertrouwe. Want hy sal u redden van den strick des Vogelvangers:
van de seer verderflijcke pestilentie. Hy sal u decken met sijn vlercken, ende onder zijne vleu-
gelen sult ghy betrouwen: zijne waerheyt is een rondasse ende
beuckelaer. Ghy en sult niet vresen voor den schrick des nachts: voor
den pijl die des daeghs vlieght. Voor de Pestilentie die in de donckerheyt wandelt: voor het
verderfdat op den middagh verwoest.
Aen uwe zijde sullender duysent vallen, ende tien duysent
aen uwe rechterhandt: tot u en sal het niet genaken. Alleenlijck sult ghy het met uwe oogen aenschouwen: ende
ghy sult de vergeldinge der goddeloosen sien. Want ghy Heere, zijt mijne toevlucht: den alderhoogh-
sten hebt ghy gestelt tot u vertreck. U en sal geen quaedt wedervaren, noch geen plage sal uw
tente naderen. Want hy sal sijne Engelen van u beveelen, datse u bewaren
in alle uwe wegen. Sy sullen u op de handen dragen, op dat ghy uwen voet aen
genen steen en stootet. Op den fellen Leeuw ende d' Adder sult ghy treden, ghy
sult den jongen Leeuw ende de Drake vertreden. Dewijl hy my seer bemindt, [spreeckt Godt] soo sal ick
hem uyt helpen: Ick sal hem op een hooghte stellen, want hy
kent mijnen name. Hy sal my aenroepen, ende ick sal hem verhooren: in de
benautheyt sal ick by hem zijn, ick salder hem uyttrecken,
ende sal hem vereerlijken. Ick sal hem met lanckheyt der dagen versadigen, ende ick
sal hem mijn heyl doen sien.