SEt my als een segel op u herte, als een segel op uwen arm: want de liefde is sterck als de doodt: de yver is hart als het graf: hare koolen zijn vurige koolen, vlammen des Heeren. Cant. 8. vers 6.

Ick ben met Christo gekruyst. En ick leve [doch] niet meer ick, maer Christus leeft in my: en 't gene ick nu in het vleesch leve, dat leve ick door het geloove des Soons Godts, die my liefgehadt heeft, en hem selven voor my overgegeven heeft. Gal. 2. vers 20.
SEt my als een segel op u herte. Cant. 8. vers 6.
Merkt
ô Godtlievende Ziele, hoe den allervriendelijcksten
Bruydegom Jesus Christus, gebenedijdt in der
eeuwigheyt, selver u dat gebodt van hem lief te hebben
voorschrift, ende van u begeert dat ghy altijdt aen hem
gedencken sult, en nimmermeer zijn gedachtenis ver-
geten. Soo vordert nu den Bruydegom door dese woor-
den die bewaringe des herten; want het herte is een kist
der hemelsche schatten, daer in de genade, liefde, wijs-
heyt en den heyligen Geest selve uytgegoten word, ende
in woont. Maer dewijl daer niet onbestandigers als des
menschen herte is, soo heeft het een seer groote bewa-
ringe van noden, daerom spreeckt de Bruydegom: Set
my als een segel op u herte, op dat ick dat selver beware, met
al het gene dat ghy daer in hebt; soo dat de vyanden niet
en durven aenroeren het geen dat sy met sulcken segel
bewaert sien.
Daerom set men een segel op de dinghen, datse niet
met voordacht gerooft souden worden. Soo wordt nu
des Bruydegoms segel op het herte geset, wanneer het ge-
heymenis sijns geloofs in de bewaringh onser gedachte-
nis in gedruckt wordt, op dat den ongetrouwen knecht,
namentlijck den Duyvel, door versoeckingh niet sou
durven indringen, wijl hy siet dat het herte met het ge-
loof versegelt is.
Wy moeten den Bruydegom in 't herte dragen, ende
genoeghsaem daer in graveren, op dat wy met Paulus
spreken konnen:
Want ick drage de litteeckenen des Hee-
ren Jesu in mijn lichaem. Gal. 6. vers 17.
dat is, ick ben
een lijfeygen knecht Christi, een soldaet en zijn hertelij-
ke liefhebber, en daerom draeg ick mijn littekenen aen
mijn lichaem aengebrandt of ingegraven, dat ick me-
nighvuldigh, inwendigh, en uytwendigh wete; dat ick
met het herte en werck tegenwoordigh niet mijns selfs,
maer Christi zy, ende dat hy als den gekruysten in my
leve; want ick ben met Christo aen 't kruys gehecht, en
drage altijdt dat sterven des Heeren Jesu in mijn lic-
haem om, op dat oock het leven des Heeren Jesu in
mijn lichaem openbaer worde. Gelijck als men nu segt,
dat de knechten des Antichristus dat teken des diers sul-
len hebben aen haren rechterhandt, ofte aen haer voor-
hooft: alsoo sullen die met Christo vereenighde zielen,
dat teken des levendigen Godts niet alleen aen de voor-
hoofden, ofte aen de handen, ofte andere leden des
lichaems, maer inwendigh in het herte dragen, desghe-
lijcke wy gedragen hebben het beeldt des aertschen, also
sullen wy oock dragen het beeldt des hemelschen.
Ons herte moet zijn gelijk een penningh des hoogh-
sten Koninghs, die met zijn beeldt getekent is. Onsen
Heylant wil, dat wy hem voor een segel sullen hebben in
onse betrachtingh en werken, en zijn teken soo wel on-
se woorden als wercken indrucken; want soo sullen sy
Konincklijcke en niet valsche munten zijn, als de welke
met des Koninghs beeldt zijn getekent, gelijck als nu de
penningen haer waerdigheyt hebben van des Koninghs
beeldt; alsoo hebben de werken en gedachten, dewelke
van het herte komen, haer verdiensten alleen van Chri-
sto; en alsoo veel een herte gelijckvormigh is sijn Heere,
wiens beeldt het draegt, alsoo veel sal het aennemelijck
voor Godt zijn.