Verlaet de Steden, en woont in de Steenrotse, ghy inwoonders van Moab. En wordt gelijck een Duyve, die in de mondt eens hoogen hols nestelt.

Ghy zijt mijn Steenrotze ende mijne Burght; leydt my dan, ende voert my om uwes naems wille. Psal. 31. vers 4.
Komt laet ons met de liefhebbende Ziele, in alle
aenvechtinge, ellende en jammer deses levens, onse
toevlucht nemen tot de holen des Rotsteens: tot welck
een Rotsteen? Jesus Christus onses Heere:
want dese is de Rotsteen die door Moses, dat is, door het
Joodsche volck, met de roede des Kruys geslagen, over-
vloedigh water van zich gaf; invoegen datmen niet al-
leen wateren, maer volgens het getuygenisse der heylige
Schrift, oock Oly uyt dese alderhertste steen vermocht
te suygen. Derhalven den Propheet Jeremias oock sey-
de: Verlaet de Steden, dat is, 't gerucht en de onrust
des volcks, en woont in de Steenrotse, ghy inwoonders van
Moab, en wordt gelijck een Duyve, die in de mondt eens hoo-
gen hols nestelt: Dat is, in de open zijde Christi. Dit is
den Steen, welke den Patriarch Jacob tot een teken heeft
opgericht, en daer hy Oly op goot, tot een bewijs der
overvloeyende genade en Godtsdienstigheyt. Wat kan
ons in dese Steenrots ontbreken, want wy alhier voor al
onse vyanden seker en vry zijn: Hier kan de oude slan-
ge, dat listige en kromdraeyende serpent niet genaken:
Hier zijn wy van der aerden opgenomen, en op den weg
des hemels gestelt, al vecht ons de werelt aen, al dreyght
ons de vyandt, al knaegt het vleesch, wy hebben voor-
waer voor niets te vresen, nademael wy op den Rot-
steen gefondeert zijn: nergens konnen wy soo seker en
vry zijn als in de wonden onses Heeren.
Want my ontbreekt aen mijn selve, dat hale ick vry-
moedig uyt het binnenste mijns Heeren, want zijn bin-
nenste is vol en overvloeyende van genade, en 't en ont-
breeckt hem aen geen gaten tot uytvloeyinge: sijn han-
den en voeten heeftmen doorgraven, ende zijn zijde met
een Lancie doorsteken, soo dat ick door dese reten ho-
nigh uyt den Rotsteen, en Oly uyt een harden steen kan
suygen; dat is, ick kan hier door smaken en sien, hoe
vriendelijck de Heere zy. Hy dacht over my gedachten
des vredes, en ick en wiste het niet: maer de spijcker
die hem sijn lichaem heeft doordrongen, is my een sleu-
tel geworden, om te sien den wille des Heeren. Hoe
en soude ick het niet zien? De spijcker roept, de wonde
roept, dat Godt waerlijck in Christo sich met de wereldt
is versoenende. 't Yser is hem door de Ziele gedrongen,
en is hem tot aen 't herte gekomen, invoegen dat hy nu
niet anders en kan, als medelijden hebben met onse
swackheden. De heymelijckheyt sijns herten is door de
gaten des lichaems openbaer geworden, die groote ver-
borgentheyd der Godtsaligheyt is ontdeckt; die inghe-
wanden der barmhertigheyt onses Godts, met welcken
ons versocht heeft den opgangh uyt der hooghte, zijn
aen den dagh gekomen, ende hoe en soudense door de
wonden niet her voor komen? want waer in soude het
klaerder als in uwe wonden schijnen konnen, dat ghy
Heere vriendelijck en goedertieren zijt, ende van groo-
te barmhertigheyt.
Longinus heeft my de zijde Christi met de Lancie
geopent, en ik bender in getreden. Hier woon ick seker
hier vermaeck ick my, hier ruste ick soet, hier weyde
ick met lust.