De zedelyke en stichtelyke gezangen


auteur: Jan Luyken


bron: Jan Luyken, De zedelyke en stichtelyke gezangen, Wed. P. Arentz en K. vander Sys, Amsterdam 1709. Fotomechanische herdruk De Banier, Utrecht 1977  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 16]origineel

Op 't Laatste Oordeel.

 
Ziet mens! gy die zo kleeft aan 't waereldlyk beslag,
 
Dat de arme Christus van u niets gebeuren mag;
 
Wanneer hy komt met magt, om 't Oordeel in te rechten,
 
En alle oneffenheid voor eeuwig af te slechten;
 
Waar is uw antwoord: als den Rechter u verwyt,
 
Het booze levensstuk van onbarmhertigheid?
 
Of zult gy zeggen: Heer! het geen ik kwam te gaaren,
 
Moest myn bezorgtheid voor myn kind'ren wel bewaren,
 
Voor de oude en zieken dag, of and're levensnood,
 
Zo dat 'er, goedste Heer, voor u niets overschoot!
 
Schaamt u van nu af aan; en vreest de donderslagen
 
Der harde uitspraak, die, voor eeuwig zal verjaagen
 
Het volk ter linkerhand. Schaamt u van nu af aan,
 
Eer u die schande met den slag zouw nederslaan:
 
En schikt u beter in 't belang van groote zaaken,
 
Op dat gy onder 't volk ter rechterhand moogt raaken,
 
Die om getrouwigheid in 's Konings dienst gedaan,
 
Uit moeiten en verdriet in de eeuw'ge vreugde gaan.
 
ô Mensch! ziet wat gy doet, in 't kiezen en in 't deelen,
 
Het zal een zaligheid en een verdoem'nis scheelen.

En de Koning zal antwoorden, en tot hen zeggen, Voorwaar zeg ik u, voor zo veel gy [dit] een van deeze myne minste broeders gedaan hebt, zo hebt gy [dat] my gedaan.

Dan zal hy hen antwoorden, en zeggen, Voorwaar zeg ik u, voor zo veel gy [dit] een van deeze minste niet gedaan hebt, zo hebt gy het my ook niet gedaan. En deeze zullen gaan in de eeuwige pyn: maar de rechtvaardige in dat eeuwige leven. Matth: XXV: 40, 45, 46.

Want een onbarmhertig oordeel [zal gaan] over de geene, die geen barmhertigheid gedaan heeft: en de barmhertigheid roemt tegen het oordeel. Jak: II: 13.

[p. 17]origineel
 
Ik zal 'er tegenwoordig zyn,
 
(ô Groot gewigt!) en elk met myn.



illustratie

Komt gy gezegende Gaat weg van my myns vaders: Matth.25.34 gy vervloekte: v.41.
En als dan zal in den hemel verschynen het teken van den Zoon des menschen: en dan zullen alle de geslachten der aarde weenen, en zullen den Zoon des menschen zien komende op de wolken des hemels, met groote kracht en heerlykheid. Matth: XXIV: 30.