Achteraf verbaast het met dat de historische demografie in de jaren zestig en zeventig een periode van grote bloei beleefde. Deze benadering had immers op vele andere voor dat álle historische actoren in de beschouwing werden betrokken en niet alleen het geletterde deel. Voor de hier geboden bijdrage is nog een ander kenmerk van belang: het demografisch gedrag van mensen is een spiegel waarin gebeurtenissen op economisch en maatschappelijk gebied zijn terug te vinden. Voor de pre- en vroegindustriële tijd waren de verbanden betrekkelijk eenvoudig: golven van immigratie wezen op relatieve voorspoed, hoge sterfte en emigratie op armoede en de huwelijksfrequentie liep parallel aan de conjunctuur. In de loop van de twintigste eeuw werd de werkelijkheid gecompliceerder en zorgden meerdere invloedssferen door elkaar voor een ingewikkeld causaal mechanisme. Zo werden ook impulsen uit de hoek van de cultuur en mentaliteit duidelijk zichtbaar in het demografisch gedrag.
De vraag of de Nederlandse samenleving in de twee decennia na de Tweede Wereldoorlog al voortekenen vertoonde van de als ‘revolutionair’ omschreven periode na 1965, kan men dus mede beantwoorden aan de hand van de demografische kenmerken van deze jaren. In het navolgende gaat het daarbij overigens om de daden, niet om de woorden. De meeste bijdragen over dit onderwerp gaan in op ‘de leer’, de opvattingen zoals die zijn af te leiden uit de uitlatingen van de verschillenden religieuze en maatschappelijke groeperingen. In de praktijk van ‘het leven’ blijken zulke normerende richtlijnen maar een beperkte voorspellende waarde te hebben voor het daadwerkelijke gedrag. Blind varen op regelgeving alleen kan ons inzicht dus ernstig verstoren. Om die reden komt in het navolgende niet aan bod wat besproken werd in deftige bestuurskamers, noch wat er aan revolutionair gedachtengoed broeide in rokerige achterkamers. Het zijn de daadwerkelijke demografische gedragingen van de Nederlandse bevolking die worden onderzocht: nuptialiteit (frequentie en leeftijd van huwen), huwelijksvruchtbaarheid (als maat voor het gebruik van voorbehoedmiddelen) en ‘deviant’ gedrag (echtscheiding, buitenechtelijke geboorten en gedwongen huwelijken). Het doel daarbij is niet zo zeer kennis van deze verschijnselen op zich, maar hun betekenis voor het vaststellen van eventuelep mentaliteitsveranderingen.
We sluiten aan bij de goede gewoonte om ontwikkelingen in een bepaalde korte periode te bezien vanuit een langer tijdsperspectief. Met name een dramatisch evenement als de Tweede Wereldoorlog kan het zicht ontnemen op de structurele veranderingen die lang voor 1940 begonnen waren en, wellicht, in de jaren vijftig hun loop hernamen. Wanneer men op zoek is naar de specifieke kenmerken van Nederlands demografisch gedrag in deze periode, zal men met andere woorden moeten bezien in hoeverre er na de oorlog een structuurbreuk optrad en zo ja, of die inderdaad het begin vormde van latere, in het oog springende vernieuwingen. Waren met andere woorden, de jaren zestig wel zo revolutionair of waren ze het logische gevolg van ontwikkelingen in het eraan vooraf gaande decennium?
Een tweede punt van bezinning is de territoriale eenheid van onderzoek. Nederland moge dan een politieke eenheid vormen, dat betekent niet dat ook het demografisch gedrag binnen de landsgrenzen uniform is. Verschillen ter zake tussen regio's en sociale groepen zijn meermalen aangetoond en het onderscheid stadplatteland is van betekenis. Een begrip als ‘het huwelijk in Nederland in de jaren vijftig’ is dus een gemiddelde van mogelijk heel divers gedrag. Sterker nog, zeker als men op zoek is naar gedragsverandering, verdient het aanbeveling niet te werken met een verhullend landelijk cijfer. Het kan zeer wel zijn dat de Randstad tekenen van modernisering vertoonde die in de oostelijke en zuidelijke provincies niet voorkwamen, of dat voor intellectuelen het proces van vernieuwing een andere fasering had dan voor de modale Nederlander.
De hier geboden terreinverkenning is gebaseerd op cijfermateriaal uit gepubliceerde bronnen. Deze gegevens zijn verzameld op geaggregeerd niveau (landelijk, provinciaal of gemeentelijk). Met behulp van deze cijfers kan de sociale differentiatie van het demografisch gedrag binnen Nederland niet opgespoord worden. Daartoe zijn gegevens nodig van individuele personen of huishoudens, waarbij beroep, opleidingsniveau of sociale klasse bekend zijn. Vooralsnog moeten we ons in de volgende analyse dus beperken tot de regionale spreiding.
De ontwikkeling van westerse populaties in de twintigste eeuw valt binnen het algemene kader van de demografische-transitietheorie.1 Volgens deze theorie ontwikkelden geboorten- en sterftecijfers zich van een evenwicht op hoog niveau in de pre-industnële tijd naar een nieuw evenwicht, nu op lager niveau, in moderne samenlevingen. De aanzet tot de verandering was de daling van het sterftecijfer in de negentiende eeuw. Voor het eerst kwam het aantal geboorten structureel boven het aantal sterfgevallen te liggen. Deze tweede fase in de transitie was dan ook het tijdperk van ongekende bevolkingstoename in Europa, die onder andere resulteerde in massale emigratie. In het derde kwart van de negentiende eeuw volgde er een reac-
tie van de zijde van de vruchtbaarheid. Langzaam aan en met grote regionale verschillen werd het aantal geboorten binnen het huwelijk beperkt. Toen deze ontwikkeling in de twintigste eeuw gemeengoed werd, kwamen geboorte en sterfte opnieuw in evenwicht.
Dit laatste is des te opmerkelijker omdat zich parallel met de demografische transitie een verandering voordeed in het huwelijksgedrag: er werd veel meer en jonger gehuwd. Typerend voor Westeuropese landen vóór 1850 was een restrictief huwelijkspatroon. Het stichten van een nieuw gezin werd alleen dan toegestaan als er voldoende bestaansmiddelen voorhanden waren. Dat betekende dat het huwelijk pas plaats vond als de ouders, hetzij door overlijden, hetzij door terugtreden, hun boerderij, ambachtelijk bedrijf of vaste arbeidsplaats overdeden aan hun (oudste) zoon. De huwelijksleeftijd was voor hedendaagse begrippen dan ook hoog. Bovendien resteerde voor een deel van de overige kinderen geen andere keus dan ongehuwd te blijven. Naast hoge huwelijksleeftijden treffen we dus een hoog percentage ongehuwden aan.
Voor de samenleving als geheel zorgde dit mechanisme voor een regulering van de bevolkingsomvang. In tijden van crises werd de toegang tot het huwelijk (en dus het kinderen krijgen) moeilijker gemaakt, in tijden van voorspoed werden de teugels gevierd. Eind negentiende eeuw maakte dit malthusiaanse voortplantingspatroon plaats voor een neo-malthusiaanse variant. De invoering van geboortenbeperking binnen het huwelijk maakte het mogelijk dat meer mensen trouwden en dat op jongere leeftijd.
In de jaren na de Tweede Wereldoorlog was het zo beschreven moderniseringsproces nog volop bezig. De demografische transitie verkeerde toen in zijn derde fase, op zoek naar een nieuw evenwicht, en de nuptialiteit nam nog steeds toe. Zo gezien maakten de ontwikkelingen die we hier bestuderen, deel uit van een proces van eeuwen. De vraag of er rond 1950 nieuwe zaken op de voorgrond traden, wordt daarmee extra belangwekkend.
Voor een aantal demografen is die vraag overigens een gepasseerd station. Zij situeren het breekpunt niet in de jaren vijftig, maar in 1965. D.J. van de Kaa is de meest geprofileerde vertegenwoordiger van deze groep.2 In zijn visie eindigde de demografische transitie rond 1930. De ontwikkelingen vanaf 1965 waren zo nieuw, dat hij er een aparte naam aan geeft, de tweede demografische transitie. Als voornaamste kenmerk daarvan ziet hij de daling van de vruchtbaarheid beneden het vervangingsniveau.3 Bovendien had de tweede transitie een ander karakter dan de eerste. Rond de eeuwwisseling kwamen veranderingen voort uit een altruïstische opstelling; de zorg voor familie en nakomelingen leidde tot een ander vruchtbaarheidsgedrag. Zo niet na 1965. Toen zorgden individualisme en het zoeken naar zelfontplooiing voor ander gedrag.
Al met al constateert Van de Kaa dat de tweede transitie een beweging is wég van huwelijk en ouderschap. Hij vat dit samen door vier overgangen te signaleren: van
‘the golden age of marriage’ naar ‘the dawn of cohabitation’, van ‘the king-child with parents’ naar ‘the king-pair with a child’, van ‘preventive contraception’ naar ‘self-fulfilling conception’ en van ‘uniform’ naar ‘pluralistic families and households’.4
Deze boude stellingname werd al snel bekritiseerd door aanhangers van het continuïteitsdenken. Th. Engelen wees erop dat, indien men de naoorlogse geboortenpiek wegdenkt, de Nederlandse daling van de vruchtbaarheid na 1965 perfect paste in de daling vanaf 1900. Ook de opmerkelijke demografische verschijnselen in de jaren zestig (toename van het ongehuwd samenwonen, van de echtscheidingen en van de buitenechtelijke vruchtbaarheid, alsmede een afname van de nuptiahteit) ziet hij als een voortzetting van een langdurig proces. Aanvankelijk reguleerde het huwelijk de bevolkingsomvang, vervolgens werd er nog slechts de sexualiteit door gewettigd en tenslotte verloor het ook deze rol als gevolg van toenemende secularisatie en liberalisering.5
Ook R. Cliquet stelt zich op het standpunt dat er na 1965 weinig nieuws onder de zon was. De toepassing van geboortenbeperking was er immers al sinds de tweede helft van de negentiende eeuw. Typerend voor de jaren zestig was slechts dat de effectiviteit toenam door de introductie van de anti-conceptie pil en de (her)ontdekking van het spiraaltje. Ook aan het ongehuwd samenwonen hecht hij geen al te grote betekenis: het zijn min of meer vaste relaties die vaak in een huwelijk resulteren bij de geboorte van een kind. Telt men voor deze periode de aantallen huwelijken en cohabitaties op, dan vormden de jaren zestig geen breuk. Met betrekking tot de veronderstelde verschillende motivaties achter de twee transities is Cliquet sceptisch. Zou het toeval zijn, vraagt hij zich af, dat voor de eerste transitie de term altruïsme gebruikt wordt? Toen immers kregen mannen meer kansen tot zelfontplooiing. Op het moment dat die mogelijkheid voor vrouwen ontstaat, wordt er van individualisering gesproken met connotaties aan zelfzuchtigheid. Het verbaast dan ook niet dat Cliquet met instemming een vakgenoot citeert, die zegt: ‘Plus importante que la rupture de 1965, c'est la continuité séculaire qui est éclairante.’6
De socioloog Kooy is een andere mening toegedaan. Na een rondgang langs katholieke, gereformeerde en hervormde richtlijnen komt hij tot de conclusie dat de jaren zestig het begin waren van een ‘enorme kentering in waarden en normen met etrekking tot seksualiteit, huwelijk en gezin’. Wel laat hij nog enige ruimte voor discussie: ‘Hoe het zij, het lijdt weinig twijfel dat aan de morele revolutie van de jaren zestig een geleidelijke gedragsevolutie is voorafgegaan.’7
Aan dit koor van onenigheid voegen we tenslotte de stem van E.W. Hofstee toe. Deze wijst zonder aarzeling 1955 aan als het jaar van de ommekeer; daarna is er sprake van een snelle stijging van het aantal jonge huwelijken, echtscheidingen en buitenechtelijke geboorten, en daalt de huwelijksvruchtbaarheid.8
De hier aangehaalde auteurs staan model voor vele anderen, en het zal dan ook duidelijk zijn dat er geen eensgezindheid bestaat over de rol van de jaren vijftig in de demografische ontwikkeling. Vormden ze slechts een overgangsfase in een seculair proces? Waren ze het begin van revolutionaire vernieuwing of bereidden zij de morele revolutie van de jaren zestig voor? Vooralsnog lijkt het verstandig voor de beantwoording van deze vragen op zoek te gaan naar concrete uitingen van het menselijk gedrag op dit terrein en op grond daarvan tot een antwoord te komen.
De jaren vijftig werden omsloten door twee volkstellingen, één in 1947 en één in 1960. Als er in de tussenliggende jaren een verandering in het demografisch gedrag is opgetreden, dan zou dat moeten blijken uit een vergelijking van de twee tellingen. Aangezien het in deze bijdrage voornamelijk gaat over veranderingen in huwelijk en voortplanting, is gekozen voor de gemiddelde grootte van het huishouden, het percentage gehuwden en het percentage alleenstaande alleenwonenden. (zie tabel 1).
Verdeelt men Nederland naar grootte van het huishouden, dan krijgt men drie roepen: Noord-Brabant en Limburg herbergden de grootste huishoudens, Groningen, Noord-Holland, Zuid-Holland en Zeeland de kleinste, en de overige provincies vormden een middengroep. Opvallend is ook dat deze verdeling zich zowel in 1947 als in 1960 voordeed. De algemene tendens, het kleiner worden van het huishouden, was overal gelijk, maar de onderlinge verhoudingen wisselden niet. Voor Nederland als geheel zien we, dat het gemiddelde huishouden 0,1 kleiner werd. Tussen 1930 en 1947 was de daling overigens 0,4.
De veranderingen in het trouwgedrag waren groter. In 1960 was het percentage gehuwden boven de 15 jaar zes hoger dan in 1947. Ook op dit punt ontwikkelden alle provincies zich in dezelfde richting. De regionale spreiding van de verschillen is, zeker voor 1960, minder nadrukkelijk dan bij de omvang van de huishoudens, al zijn het weer Noord-Brabant en Limburg die het meest conservatieve patroon laten zien.
Men kan uit deze cijfers afleiden dat het huwelijk populair was bij de Nederlandse bevolking. Toch zijn er ook andere signalen. Het feit dat een groter deel van de bevolking gehuwd was, nam niet weg dat ook het aandeel van alleenwonende alleenstaanden groter werd. In 1947 vormde deze groep nog 10 % van alle huishoudens, in de door ons onderzochte periode groeide dit tot bijna 14%. Met name de demografisch meest vooruitstrevende provincies in het westen van het land herbergden een groot aantal éénpersoonshuishoudens, tot één op de vijf in Noord-Holland. Binnen de Staatscommissie Bevolkingsvraagstuk werd die trend in 1974 duidelijk onderkend. Men constateerde dat het verlaten van het ouderlijk huis jonger en meer voor kwam.9 De cijfers in tabel 1 maken duidelijk dat deze ontwikkeling al in de jaren vijftig begon.
| provincie | gem. grootte huish. | % gehuwden | % alleenwonende alleenstaanden | |||
|---|---|---|---|---|---|---|
| 1947 | 1960 | 1947 | 1960 | 1947 | 1960 | |
| Groningen | 3,8 | 3,6 | 62,0 | 67,0 | 10,3 | 15,4 |
| Friesland | 4,0 | 3,8 | 60,8 | 65,3 | 9,4 | 12,6 |
| Drenthe | 4,3 | 3,9 | 60,7 | 67,4 | 5,2 | 7,9 |
| Overijssel | 4,2 | 4,0 | 58,6 | 64,9 | 5,5 | 8,3 |
| Gelderland | 4,2 | 4,0 | 57,4 | 63,8 | 7,8 | 10,9 |
| Utrecht | 4,0 | 3,9 | 58,2 | 63,2 | 13,6 | 17,1 |
| Noord-Holland | 3,7 | 3,6 | 60,7 | 64,9 | 13,6 | 19,1 |
| Zuid-Holland | 3,8 | 3,6 | 60,2 | 65,5 | 12,6 | 17,7 |
| Zeeland | 3,8 | 3,6 | 60,6 | 66,6 | 8,5 | 13,0 |
| Noord-Brabant | 4,7 | 4,4 | 53,6 | 61,2 | 5,6 | 7,5 |
| Limburg | 4,6 | 4,2 | 54,4 | 62,8 | 5,9 | 7,2 |
| NEDERLAND | 4,0 | 3,9 | 58,8 | 64,5 | 10,1 | 13,9 |
Al met al leert deze eerste statistische sondering dat het voortplantingspatroon zich in de jaren vijftig wijzigde. In 1960 waren er meer mensen die het ouderlijk huis hadden verlaten; ze waren ofwel getrouwd, ofwel ze bewoonden zelfstandig een eigen woning. De omvang van de huishoudens doet vermoeden dat het kindertal kleiner was. Of en in hoeverre er in deze periode sprake was van een keerpunt op dit terrein kan slechts vastgesteld worden met behulp van een nadere bestudering, waarbij we ook meer jaren bekijken.
Historisch gezien is het meest opmerkelijke aspect van de twintigste-eeuwse westerse demografie de spectaculaire daling van het aantal kinderen per echtpaar. We wezen er reeds op dat deze daling begon in de negentiende eeuw, maar ook dat volgens meerdere onderzoekers met het jaar 1965 een nieuwe fase zou zijn aangebroken. Alleen Hofstee brak een lans voor de jaren vijftig. Ter toetsing van de diverse opvattingen dienen de gegevens in afbeelding 1.11 De grafiek beslaat de periode 1930-1975 om zo de direkte naoorlogse jaren in een langer tijdsperspectief te plaatsen. Bovendien is niet alleen het landelijk gemiddelde weergegeven, maar ook de waarden voor vier provincies. Noord-Holland en Zuid-Holland vormden steeds de voorhoede bij demografische modernisering, terwijl Limburg en Noord-Bra-
bant de rij sloten. Door net deze uitersten te nemen wordt het mogelijk te bezien of de algemene tendens typisch is of een gemiddelde dat divergerende ontwikkelingen verhult.
In wezen geven de grafieklijnen een indicatie voor mentaliteitsverandering. Voor het toepassen van geboortenbeperking zijn immers twee voorwaarden van belang. Een kleiner kindertal moet economisch voordelig zijn en de middelen en methoden om dat kleiner kindertal te verwezenlijken, moeten moreel aanvaard zijn. Aan de eerste voorwaarde, de motivatie voor gedragsverandering, was voldaan op het moment dat kinderarbeid verboden werd en schoolgang verplicht, eigenlijk dus al de hele twintigste eeuw. De acceptatie van het nieuwe gedrag daarentegen heeft met name in Nederland veel tegenwerking ondervonden van het georganiseerd confessionalisme, dat zeker in de eerste helft van deze eeuw fel ageerde tegen neo-malthusiaanse praktijken. De daling van het vruchtbaarheidscijfer liep zo gezien parallel met de secularisering van de samenleving.

Afbeelding 1. Geboorten per 100 vrouwen van 15-45 jaar.
De cijfers in afbeelding 1 maken volstrekt duidelijk dat de jaren vijftig in dit opzicht geen opmerkelijke ontwikkeling kenden. Op de naoorlogse geboortengolf volgde een periode van lichte afname van de huwelijksvruchtbaarheid. Pas na 1960 was er sprake van een meer geprononceerde daling van de vruchtbaarheid. Heeft Van de Kaa dan gelijk als hij een tweede demografische transitie introduceert? Alleen indien men, zoals bij sociale wetenschappers vaak gebruikelijk, een beperkte historische periode bestudeert. Juister is het om de cijfers voor 1936-40 als de laatste normale waarden te nemen voordat oorlog, bevrijding en wederopbouw zorgden voor een tijdelijke verstoring van de structurele ontwikkeling.
Neemt men die periode uti de grafiek en pakt men de draad weer op na 1960, dan is
er sprake van één, doorlopende, licht dalende lijn. Het is zelfs de vraag of men de verdere daling vanaf de jaren zestig revolutionair mag noemen.
Waren er dan wellicht grote verschillen tussen de provincies? Ook die vraag moet ontkennend beantwoord worden. Grosso modo verlopen de vier grafieklijnen gelijk. Zeker, in de eerste twee bestreken decennia waren er grote onderlinge niveauverschillen, maar de ontwikkeling was dezelfde. De landelijke vruchtbaarheid was dus een goede afspiegeling van de onderscheiden delen van het land. Hooguit kan men stellen dat de katholieke provincies in de jaren vijftig een grotere daling van de vruchtbaarheid meemaakten. Toch is dat verklaarbaar door het hogere uitgangspeil in de jaren dertig. De convergentie van het demografisch gedrag in de tweede helft van de eeuw vergde om die reden een snellere daling.
De grafieklijnen verbergen nog een interessant gegeven. Wanneer de geboorten ontleed worden in eerste, tweede en latere geboorten, dan blijken de ontwikkelingen niet parallel te lopen. Het aandeel van de rangnummers vier en hoger neemt af, eerst geleidelijk en na 1960 snel. Eerste en tweede geboorten daarentegen nemen procentueel toe. Dit gebeurt niet alleen rekenkundig, als gevolg van het afnemen van latere geboorten, maar ook omdat de huwelijksfrequentie toenam. Pas na 1969 daalden ook de cijfers voor eerste en tweede kinderen.12 Echtparen uit de jaren vijftig kozen dus al nadrukkelijk voor een kleiner kindertal, maar de veel revolutionairdere stap naar kinderloze gezinnen of gezinnen met één kind werd pas gezet eind jaren zestig.
De vergelijking tussen de volkstellingen van 1947 en 1960 leerde dat de veranderingen in nuptialiteit aanzienlijk waren. Ook hier was er sprake van een langlopend proces. Het verzwakken en later zelfs verdwijnen van de huwelijksrestrictie begon in de negentiende eeuw. Voor een belangrijk deel hing dit samen met de introductie van geboortenbeperking binnen het huwelijk, de reden waarom restrictie niet meer nodig was om de bevolkingsomvang te reguleren. Daarom laten huwelijks- en geboortencijfers vaak een tegenovergestelde ontwikkeling zien, respectievelijk omhoog en omlaag. Ook de nuptialiteit wordt in afbeelding 213 eerst in een historisch kader geplaatst.
In wezen geldt voor deze grafiek dezelfde constatering als bij de vruchtbaarheid. Laat men de verwarde periode van rond de oorlog weg, dan is er sprake van een licht golvende, langzaam stijgende lijn. In de jaren dertig trouwden 7 à 8 personen per 1000 inwoners en in de jaren vijftig 8 à 9. Wel kan men hier na ±1965 een tempoversnelling aflezen. Toch hoeft deze niet per definitie te wijzen op een gedragsverandering. Vanaf 1965 kwamen immers ook de kinderen van de geboortengolf op de huwelijksmarkt. Deze groep, die sinds 1945 het huwelijkscijfer verlaagd had, kon nu zuiver getalsmatig voor een toename zorgen.14
Of dit inderdaad zo was, kan men achterhalen door het percentage gehuwden en

Afbeelding 2. Het aantal huwelijken per 1000 van de totale bevolking.
de huwelijksleeftijd te volgen. Veranderingen daarin reflecteren een daadwerkelijke omslag. In tabel 2 zijn een aantal relevante gegevens samengebracht.
| periode | gemiddelde huw. lftd. | gehuwd op lftd. 25 | gehuwd op lftd. 50 | |||
|---|---|---|---|---|---|---|
| M | V | M | V | M | V | |
| 1948-49 | 28,4 | 25,9 | 23,8 | 48,8 | 89,1 | 88,4 |
| 1950-55 | 27,7 | 25,4 | 28,8 | 55,3 | 90,0 | 90,4 |
| 1956-60 | 27,1 | 24,8 | 35,9 | 64,8 | 91,5 | 92,9 |
| 1961-65 | 26,2 | 23,9 | 45,1 | 72,0 | 91,0 | 93,8 |
De cijfers met betrekking tot het trouwgedrag rechtvaardigen Hofstee's stelling dat de jaren vijftig getuige waren van een demografische ommekeer. Zowel voor mannen als vrouwen daalde de huwelijksleeftijd tussen 1948-1949 en 1961-1965 met twee jaren. Dat vindt men terug in het percentage 25-jarigen dat gehuwd was. Ook hier trad bij beide geslachten nagenoeg een verdubbeling op. Het andere kenmerk van malthusiaans gedrag is het permanent ongehuwd blijven. Als maat daar-
voor neemt men het aantal ongehuwden op vijftigjarige leeftijd. Uit tabel 2 blijkt dat ook deze groep beduidend kleiner is geworden in de loop van de jaren vijftig.
Op zoek naar (pre-)revolutionaire karaktertrekken van deze periode kan men derhalve goed terecht bij de trouwcijfers. Daar hoort echter een kanttekening bij. De veranderingen in de jaren zestig en daarna worden getypeerd als een beweging wég van huwelijk en gezin. Uit de gegevens over huwelijksleeftijd en percentage ooit-gehuwden blijkt het tegendeel. Er werd meer en jonger gehuwd dan ooit, alsof de jaren vijftig de apotheose vormden van het proces dat eind negentiende eeuw begon.
Er is nog een ander criterium voor eventuele vernieuwing van het trouwgedrag. In de verzuilde Nederlandse samenleving was endogamie de regel, met name bij katholieken en protestanten. Als in de jaren vijftig de partnerkeuze minder exclusief gericht zou zijn op de eigen denominatie, dan zou dit wijzen op het begin van de ontwikkeling naar geseculariseerd trouwgedrag. Ook op dit punt echter wijzen de cijfers in een andere richting. In de jaren veertig betrof 80% van alle huwelijken een verbintenis tussen twee mensen met dezelfde geloofsovertuiging. Dit percentage steeg nog na 1950 en pas vanaf de tweede helft van de jaren zestig is een daling waar te nemen.16
Als de opvallende ontwikkelingen van de afgelopen drie decennia al werden voorbereid in de jaren vijftig, dan vergt dat bestudering van andere aspecten van huwelijk en voortplanting. In de volgende paragraaf komen die aan bod.
Blijkens recent onderzoek onder jongeren wil een groot deel van hen ‘ooit’ trouwen. Daarmee is een eind gekomen aan een periode van ruim twintig jaar, waarin het huwelijk - zeker voor hoger opgeleide jongeren - aan aantrekkingskracht had ingeboet. Voor een onderzoek naar mentaliteitsverandering op dit gebied in de jaren vijftig moet men derhalve op zoek naar indicatoren voor een afstandelijker houding ten opzichte van het huwelijk. We zagen dat die niet geboden worden door het algemene huwelijkscijfer, de leeftijd waarop gehuwd werd en de praktijk van endogamie. Om die reden gebruiken we hier het echtscheidingscijfer, het aantal onwettige geboorten en de gedwongen huwelijken als maten.
Een belangrijke indicatie voor het belang dat men hecht aan het huwelijk, is het aantal echtscheidingen. De explosieve toename van het aantal huwelijksontbindingen in de jaren zeventig en tachtig werd door menig bezorgd waarnemer geduid als een verval van de hoeksteen van de samenleving. De vraag in deze bijdrage luidt dan: begon dit proces al in de jaren vijftig? In afbeelding 317 is de ontwikkeling van het aantal echtscheidingen voor een langere periode weergegeven.

Afbeelding 3. Aantal echtschiedingen per 10.000 gehuwde mannen.
Oorlog en bevrijding vormden ook op dit punt een heftige, maar tijdelijke verstoring van de lange-termijn-ontwikkeling. Richt men zich op de ‘normale’ jaren, dan blijken er tussen 1950 en 1960 inderdaad meer mensen te scheiden dan in de jaren dertig. Het verschil was echter gering, circa 22 per 10.000 gehuwde mannen tegen 19 in de vooroorlogse jaren. Bovendien daalde het relatieve aantal ontbindingen van huwelijken in de loop van de jaren vijftig. Zo er al steun te vinden is voor het creëren van een tweede demografische transitie, dan wel op dit punt. Precies vanaf 1965 nam het aantal echtscheidingen op een zodanige wijze toe, dat in 1973 zelfs het piekpeil van 1946 werd gepasseerd. In tien jaar tijd vond er nagenoeg een verdrievoudiging plaats. Het is niet verwonderlijk dat dit voor menigeen reden tot overdenking was. Toch is er hier niet sprake van een plotselinge mentaliteitsverandering. De verklaring voor de toename is te vinden in een wetswijziging. Op 1 oktober 1971 werd een in 1969 door de liberale minister Polak ingediend wetsontwerp van kracht dat echtscheiding mogelijk maakte op grond van duurzame ontwrichting.18
Ook op dit punt is de vraag terecht of het landelijk gemiddelde niet sterk beïnvloed wordt door enkele ‘progressieve’ provincies. De cijfers spreken dit tegen. Weer blijkt er slechts sprake te zijn van een niveauverschil, maar liepen de ontwikkelingen in tijd parallel. Ook in Noord-Brabant en Limburg steeg het aantal echtscheidingen na 1965 met een factor 3.19
| 1951-55 | 1955-57 | 1960 | |
|---|---|---|---|
| bedrijfshoofden | 12 | 12 | 12 |
| vrije beroepen | 77 | 50 | 73 |
| employees | 39 | 28 | 23 |
| arbeiders | 36 | 28 | 28 |
| totaal | 29 | 25 | 23 |
Op dit punt is het mogelijk een zekere sociale differentiatie te laten zien. In tabel 3 zijn daartoe voor diverse beroepsgroepen de relatieve echtscheidingscijfers samengebracht. De afname van het verschijnsel in de jaren vijftig wordt met deze cijfers nog eens duidelijk geïllustreerd. Voor beoefenaren van vrije beroepen blijkt de kans op echtscheiding een veelvoud van die voor andere beroepen. Bedrijfshoofden op hun beurt vallen op door hun lage en constante cijfer. De twee overige beroepsgroepen zorgden voor een flinke daling in de jaren vijftig. Op dit ene punt waar sociale groepen vergeleken kunnen worden, blijken de onderscheiden aanzienlijk. We mogen dat opvatten als een vingerwijzing dat ook de andere demografische verschijnselen zullen verschillen in niveau en tempo. Pas op het moment dat een bepaalde ontwikkeling voldoende sociale massa heeft gekregen, vinden we het terug in de landelijke of provinciale cijfers.
Het aantal buitenechtelijke geboorten is een tweede maat die informatie biedt over de aantrekkingskracht van het huwelijk. De interpretatie van afbeelding 421 is echter minder eenduidig. Buitenechtelijke geboorten kunnen zowel het gevolg zijn van voorhuwelijkse sexuele contacten als van relaties tussen een gehuwde en een ongehuwde, en ze kunnen tenslotte het resultaat zijn van een bewuste keuze van ongehuwd samenwonenden. Hoe het ook zij, elke geboorte buiten het huwelijk is een impliciete overtreding van de vigerende richtlijnen en morele normen en zegt dus iets over de eventuele mentaliteitsverandering ter zake.
De grafiek laat een inmiddels vertrouwd beeld zien, met een opvallende piek rond de bevrijding. Tussen 1930 en 1940 nam het aandeel van buitenechtelijke geboorten af. Ook de eerste helft van de jaren vijftig was getuige van een verdere daling na de ‘bevrijdingspiek’. Het omslagpunt naar een nieuwe stijging lag in 1955 en zeker niet in 1965. Weer krijgt Hofstee het gelijk eerder aan zijn kant dan Van de Kaa, temeer omdat ook bij dit verschijnsel de ontwikkelingen van de provincies identiek waren. Toch handhaafde Nederland ook op dit punt de naam van ‘morele natie’ zoals dat al in de negentiende eeuw gold.22 In omringende lan-

Afbeelding 4. Aantal buitenechtelijke geboorten per 1000 niet-gehuwde vrouwen van 15 tot 49 jaar.
den was het aandeel van buitenhuwelijkse geboorten vaak een veelvoud.
Eerder werd er al op gewezen dat het huwelijk in de jaren na de Tweede Wereldoorlog nog steeds het enige samenwoningsverband vormde waarbinnen een sexuele relatie geoorloofd was. Naast onwettige geboorten vormden dus ook de gewongen huwelijken uitingen van een zich onttrekken aan de officiële en morele regels. De cijfers wijzen er op dat dit in grote mate gebeurde. In maar liefst 16% an alle in Nederland gesloten huwelijken in de jaren vijftig werd binnen zes maanden een kind geboren.23 Als men bedenkt dat de zes-maanden-grens vrij strak is en dat maar een deel van de vrouwen die voor het huwelijk sexueel actief waren, ook zwanger werden, dan moge duidelijk zijn dat er voor verloofde stellen aanzienlijk minder strikte richtlijnen bestonden dan formeel beleden werd.
Na 1945 waren er een aantal golfbewegingen in de aantallen gedwongen huwelijken. Aanvankelijk volgde op de naoorlogse piek een daling tot 1957. Volgens de Staatscommissie Bevolkingsvraagstuk was dit mede het gevolg van een toenemende toekomstgerichtheid van de bevolking. De stijging tussen 1958 en 1964 duidde men als een toename van het voorechtelijk geslachtsverkeer. Daarna belemmerde de efficiëntere anticonceptie het zicht op het gedrag in deze. Voor de jaren 1959-1961 beschikken we over meer gedetailleerde informatie. Daaruit blijkt dat er aanzienlijk meer gedwongen huwelijken voor kwamen in vrijzinnig-protestantse en buitenkerkelijke gemeenten dan bij katholieken en orthodox-protestanten. Dat vormt een reden te meer om voorechtelijk geslachtsverkeer te zien als een resultaat van de secularisering van de samenleving.24
De algemene beeldvorming is niet vriendelijk voor de jaren vijftig. Veel beschrijvingen ademen een sfeer van keurigheid en hard werken, van een windstille en saaie periode tussen de Tweede Wereldoorlog en de jaren zestig die - volgens dezelfde beeldvorming - de Nederlandse samenleving op zijn kop zetten. Bestudering van een aantal kenmerkende demografische gedragingen nuanceert dat beeld slechts gedeeltelijk, maar en passant wordt ook het revolutionaire karakter van de jaren zestig gerelativeerd.
Een eerste conclusie betreft de toegenomen homogeniteit in het land. Alle hier behandelde maten wijzen er op dat de regionale verschillen binnen Nederland er slechts een van niveau, niet van een andere ontwikkeling waren.25 Bovendien namen de niveauverschillen in ras tempo af waardoor het landelijk gemiddelde steeds representatiever werd voor alle provincies. Het is nog de vraag of de diverse socio-professionele groepen in de samenleving een vergelijkbare uniformiteit vertoonden. Om die vraag te beantwoorden is een onderzoek nodig op een lager aggregatieniveau.
Op het breukvlak van de negentiende en twintigste eeuw begon voor Nederland een belangrijk proces. Het huwelijk, en daarmee de toegang tot sexualiteit, kwam voor meer mensen binnen bereik en bovendien werd de kloof tussen het moment van sexuele rijpheid en de huwelijksleeftijd kleiner. Die ontwikkeling was er nochtans een van lange adem. Het vergde immers een aanpassing van een eeuwen gekoesterde mentaliteit. Ook tijdens de jaren vijftig zijn de veranderingen in deze aan te wijzen. De huwelijksleeftijd daalde voor zowel mannen als vrouwen met maar liefst twee jaren en het aantal permanent ongehuwden nam af met circa vijf procent. Dat dit alles nauwelijks terug te vinden is in het aantal huwelijken per 1000 van de bevolking, is waarschijnlijk te wijten aan de rekenkundig verstorende invloed van de naoorlogse geboortengolf.
Nederlandse echtparen kregen in de jaren vijftig minder kinderen. Dat is niet opvallend, want het was een voortzetting van dezelfde tendens in de decennia voor de Tweede Wereldoorlog. Deze werd ook na 1960 voortgezet. Zoekt men naar de eigenheid van de jaren vijftig, dan is die dus vooral te vinden in het trouwgedrag. Daarbij dient aangetekend dat het demografisch gedrag van de afgelopen decennia juist minder gericht is op huwelijk en ouderschap. De gretigheid waarmee in de jaren vijftig gehuwd werd, wijst op het tegendeel.
Ook uit de echtscheidingscijfers komen de jaren vijftig als weinig opzienbarend naar voren. Zeker, het niveau was iets hoger dan in de jaren dertig, maar het was wachten tot 1965 voor de golf van huwelijksontbnidingen loskwam. De buitenechtelijke geboorten daarentegen begonnen wel degelijk-toe te nemen in de jaren vijftig, na 1955 om precies te zijn. Dat nam overigens niet weg dat dit aantal in vergelijking met omliggende landen nog steeds opvallend laag was. Het percentage gedwongen huwelijken was aanzienlijk.
Dit alles betekent niet dat de jaren vijftig niet het toneel waren van heftige discussies over de hier bestudeerde onderwerpen. Kooy merkt daar over op: ‘Dan gebeurt echter het voor zovelen volstrekt onthutsende en voor velen onder die velen ontredderende. Kerken die in een gesloten front de strijd voeren voor het behoud van een eeuwenoude christelijke waarheid, worden het toneel van heftige interne strijd over wat God van zijn getrouwen vraagt, ook ten aanzien van seksualiteit, huwelijk en gezin.’26 De discussies mogen dan hoog opgelaaid zijn, in de praktijk van het leven tijdens de jaren vijftig we daarvan nog weining repercussies. Een laatste eresaluut aan het instituut huwelijk is geen nieuwe stap, maar hoort eerder bij het verleden. Alleen de aantallen buitenechtelijke geboorten en gedwongen huwelijken wijzen erop dat de sexualiteit zich begon te ontworstelen aan de de greep van het huwelijk, en het toenemend aantal ongehuwde alleenwonenden was een voorbode van de verregaande individualisering in het laatste kwart van deze eeuw.