Rhetoricaal glossarium


auteur: J.J. Mak


bron: J.J. Mak, Rhetoricaal glossarium. Van Gorcum, Assen 1959   


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. XXVIII]

Lijst van aangehaalde woordenboeken en idiotica

Ars notariatus [J. Thuys], Ars notariatus oft conste ende stijl van Notarisschap, met een verclaringe van vele duystere, so Latijnsche als Fransoysche, woorden en termen, enz., 2e dr. (Antwerpen 1585).
boekenoogen G.J. Boekenoogen, De Zaansche Volkstaal. Bijdrage tot de kennis van den Woordenschat in Noord-Holland (Leiden 1897).
corn.-vervl. P.J. Cornelissen en J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch Dialect (Gent 1899-1906). - Bijvoegsel door J. Cornelissen (Turnhout 1936-'39).
dasypodius Petrus Dasypodius, Dictionarium Latino-germanicum, ex optimis Latinae lingvae scriptorib. concinnatvm (Antwerpen 1546).
de bo L.L. de Bo, Westvlaamsch Idioticon, heruitg. door J. Samyn (Gent 1892).
d'hauterive R. Grandsaignes d'Hauterive, Dictionnaire d'ancien français (Paris s.d.).
dorren Th. Dorren, Woordenlijst uit het Valkenburgsch Plat, 2e uitg. (Valkenburg z.j.).
ducange C.D. Ducange, Glossarium ad scriptores mediae et infimae latinitatis, heruitg. d.L. Favre (Noirt 1882-'86).
franck-v. wijk-v. haeringen Franck's Etymologisch Woordenboek der Nederlandsche Taal, 2e dr. door N. van Wijk ('s-Gravenhage 1912, onveranderde herdr. 1929). - Suppl. door C.B. van haeringen ('s-Gravenhage 1936).
Gemma Gemma vocabulorum (Antwerpen 1494), zie MNW X (Bouwstoffen) art. 489.
Gloss. Bern. Het Nederduitsch Glossarium van Bern, bewerkt d.F. Buitenrust Hettema (Groningen 1889).
godefroy Fr. Godefroy, Dictionnaire de l'ancienne langue française, etc. (Paris 1880-1902).
Harl. Gloss. Een Neder-Frankisch glossarium d. J.H. Gallée in Taalk. Bijdragen 1 (1877), blz. 286 e.v.
harreb. P.J. Harrebomée, Spreekwoordenboek der Nederlandsche Taal (Utrecht 1858-'70).
hoeufft, Bred. T. J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (Breda 1836-'38).

[p. XXIX]

Hwb. J. Verdam, Middelnederlandsch Handwoordenboek ('s-Gravenhage z.j. [1911]).
jongeneel J. Jongeneel, Een Zuid-Limburgsch Taaleigen. Proeve van vormenleer en Woordenboek der Dorpsspraak van Heerle (Heerlen 1884).
joos A. Joos, Waasch Idioticon (Gent-St. Niklaas 1900-'04).
junius H. Junius, Nomenclator omnium rerum propria nomina variis linguis explicata indicans (Antwerpen 1577).
kil. C. Kilianus, Etymologicum Tevtonicae lingve, sive Dictionarium Tevtonico-Latinum, uitg. d. G. v. Hasselt (Traiecti Batavorvm 1777).
lievevrouw-coopman L. Lievevrouw-Coopman, Gents Woordenboek (Gent 1950-).
littré E. Littré, Dictionnaire de la langue française, etc. (Paris 1882-'83).
Loquela [G. Gezelle], Loquela, 3e dr. (Amsterdam 1946).
meyer, Woordenschat L. Meyer, Woordenschat, enz., 9e dr. (Amsterdam 1731).
mellema E.L. Mellema, Le grand Dictionaire François-Flameng, enz. (Rotterdam 1618).
MNW E. Verwijs en J. Verdam, Middelnederlandsch Woordenboek ('s-Gravenhage 1885-1952).
moormann, Bronnenb. J.G.M. Moormann, De geheimtalen. Bronnenboek (Zutphen 1934).
Naembouck Het Naembouck van 1562. Tweede druk van het Nederlands-Frans Woordenboek van Joos Lambrecht, uitg. d. R. Verdeyen (Liège-Paris 1945).
opprel A. Opprel, Het dialect van Oud-Beierland ('s-Gravenhage 1896).
oudemans A.C. Oudemans, Sr., Bijdrage tot een Middel- en Oudnederlandsch Woordenboek, enz. (Arnhem, enz. 1870-'80).
paludanus J. Paludanus, Dictionariolvm rervm maximè vulgarvm, in commvnem pverorvm vsvm, etc. (Gent 1544).
plant. [C. Plantyn], Thesavrvs Thevtonicae lingvae. Schat der Nederduytscher spraken, enz. (Antwerpen 1573).
rutten A. Rutten, Bijdrage tot een Haspengouwsch Idioticon (Antwerpen 1890).
schuerm. (Bijv.) L.W. Schuermans, Algemeen Vlaamsch Idioticon (Leuven 1865-'70). - Bijvoegsel (Leuven 1883).
spanoghe Zie Syn. Lat.-Teut.
stallaert K. Stallaert, Glossarium van verouderde rechtstermen, kunstwoorden en andere uitdrukkingen uit Vlaamsche, Brabantsche en Limburgsche oorkonden (Leiden 1886-1893).

[p. XXX]

Syn. Lat.-Teut. Synonymia Latino-Teutonica (ex Etymologico C. Kiliani deprompta, enz., uitg. d. E. Spanoghe (dl. 3 door E. Spanoghe en J. Vercoullie) (Antwerpen, enz. 1889-1902).
teirl. I. Teirlinck, Zuid-Oostvlaandersch Idioticon (Gent 1908-'24).
teirl., Barg. I. Teirlinck, Woordenboek van Bargoensch (Roeselare 1886).
Teuth. G. van der Schueren, Teuthonista of Duytschlender, uitg. d. J. Verdam (Leiden 1896).
tuerl. J.F. Tuerlinckx, Bijdrage tot een Hagelandsch Idioticon (Gent 1886).
v.d. velde-sleeckx Van de Velde en Sleeckx, Volledig Nederduitsch-Fransch Woordenboek, 2e dr. (Brussel 1861).
v.d. water A. van de Water, De Volkstaal in het oosten van de Bommeler waard (Utrecht 1904).
v.d. werve, Schat J. van den Werve, Den Schat der Duytscher Talen (Delft 1614).
Voc. Cop. Vocabularius copiosus et singularis vnus ex diversis diligentissime theutonicatus (Leuven, ca. 1483).
WNT Woordenboek der Nederlandsche Taal (1882- ).

N.B. Een * vóór het lemma betekent: vermoedelijk bedorven, een * in de tekst vóór een woord: te veronderstellen, ge(re)construeerd of niet opgetekend, een * achter de vindplaats: niet geverifiëerd. Het teken × betekent: rijmend met.

Hier volgen nog enkele redactionele afkortingen:

aang. (d.) aangehaald (door)
aanh. aanhaling
afl. afleiding
ald. aldaar
alg. algemeen
barg. bargoens
bedr. bedrijvend
beg. begin
ben. beneden
bep. bepaald(elijk)
bet. betekenis
bn. bijvoeglijk naamwoord
bw. bijwoord
c.gen. cum genitivo
e. eeuw
e.d. en dergelijke
eig. eigenlijk
emend. emendatie
eng. engels
fig. figuurlijk
fr. frans
h. helft
hd. hoogduits
inz. inzonderheid
i.v. in voce
kw. kwart
l. lees
lat. latijn
m. midden
m. betr. t. met betrekking tot
mhd. middelhoogduits
mlat. middellatijn

[p. XXXI]

mnd. middelnederduits
mnl. middelnederlands
nnl. nieuwnederlands
ofr. oudfrans
onz. onzijdig
opm. opmerking
red. redactie
rhet. rhetoricaal
tw. tussenwerpsel
t.w. te weten
uitsl. uitsluitend
var. variant
verb. verbinding
vg. vergelijk
vl. vlaams
vnw. voornaamwoord
v.v. vervolgens
vz. voorzetsel
wederk. wederkerend
wrsch. waarschijnlijk
wvl. westvlaams
ww. werkwoord
zn. zelfstandig naamwoord