|
|
|
| |
| | | |
VII
Dit is een brief in een fles, zonder doel in de toekomst geslingerd, en waar hij belandt mag de hemel weten. De ideologen, de fanatici en de handelaren in angst hadden in 2004 een topjaar. Ze joegen het vuur aan in het Midden-Oosten, in de Verenigde Staten en zelfs in het kleine Nederland. We werden hier geconfronteerd met een venijnig mengsel van politieke kwesties: een voortslepend probleem rond de integratie van bepaalde moslimgroepen, een onderhuidse identiteitscrisis van de Nederlanders, een schokkende moord die deze vraagstukken in een radicaal-religieus perspectief plaatst, een opkomende rechts-nationalistische beweging die de aanslag als alibi gebruikt om de eigen agenda versneld door te drukken.
Deze almaar doorgaande radicalisering moet worden gestuit, willen we ons niet blijvend verliezen in ficties, valse emoties, discriminatie en regelrechte vijandschap. Maar hoe?
Allereerst is daar de angst. Angst is een logische reactie op een reëel gevaar, zeker als we dat gevaar niet
| | | | of nauwelijks kennen. Maar angst kan ook worden losgekoppeld van het werkelijke probleem. Angstgevoelens kunnen worden opgeklopt tot een permanente geesteshouding, die vervolgens voor politieke doeleinden kan worden geëxploiteerd. Dit alles kan gemakkelijk leiden tot een selffulfilling prophecy: de angst voorkomt niet de situatie waarvoor men bang is, maar schept die juist. In de historie liggen de voorbeelden voor het oprapen.
Want wat zijn de feiten? Door oorlogen, klimaatsveranderingen, hongersnoden, politiek en religieus fanatisme zullen de komende decennia in de wereld vermoedelijk grote, nieuwe groepen op drift raken, vele miljoenen migranten. Tegelijkertijd zal de bevolkingsgroei van Europa ernstig stagneren. Op dit moment schommelt de gemiddelde leeftijd in zowel Europa als de Verenigde Staten rond de 36, 37 jaar. In het jaar 2050 zal die, mede dankzij tientallen miljoenen immigranten, in de Verenigde Staten nog altijd 35 jaar zijn. In Europa zal in 2050 de gemiddelde leeftijd, bij ongewijzigd beleid, zijn gestegen tot 55 jaar.
Dat zal enorme consequenties hebben voor de vitaliteit van het continent; ook in rapporten van de Europese Unie wordt daar steeds meer op gewezen. In 1950 waren er, volgens cijfers van de Verenigde Naties, voor iedere gepensioneerde Europeaan zeven anderen die het werk deden. Op dit moment is dat één op vier. In 2050 zal de verhouding één op twee zijn, en zelfs nog
| | | | minder. Een pensioenleeftijd van 65, zelfs 70 jaar kan het toekomstige Europa zich dan niet of nauwelijks meer veroorloven. In ieder gunstig toekomstscenario van Nederland spelen migranten dan ook een rol.
Het probleem is, kortom, niet meer óf immigratie moet worden toegestaan - die is er en die blijft er - maar hoe we daarmee omgaan, en hoe we een balans vinden tussen deze noodzakelijke instroom van buitenaf en de verworvenheden van onze eigen samenleving. En dat niet alleen omwille van deze nieuwkomers, maar net zo goed omwille van het behoud van een dynamisch Nederland en Europa.
Op die nieuwe wereld moeten wij ons en onze kinderen voorbereiden, we hebben daarin geen keuze. Het sleutelbegrip is daarbij de zogeheten interculturele competentie, het vermogen om iemand van een andersoortige afkomst te herkennen en zijn woorden en handelingen enigszins te begrijpen. Dit betekent absoluut niet dat je het onderling eens bent. Het gaat erom dat je genoeg van de ander weet om een gesprek te hebben, een manier van omgang te vinden, een compromis te sluiten. Die interculturele competentie was in dit land altijd behoorlijk groot. Dat was niet ‘slap’ of ‘laf’, het was onze hoop en onze kracht.
In deze maanden dreigt die levenshouding overschaduwd te worden door een nieuwe mode: de confrontatie. Bij sommigen heerst op dit moment een sterke neiging om de muren rondom het geestelijke fort
| | | | Nederland zo hoog mogelijk op te trekken. Ons land zal zich daardoor steeds meer afsluiten van de culturele dynamiek - slecht en goed - in de rest van Europa en de wereld. Zo kunen zelfs wij, nuchtere Nederlanders, terechtkomen in een gesloten, xenofobe fantasiewereld waarin onze hufterigheid en onze onkunde over heden en verleden als norm worden gesteld, waarin degenen die niet in de angstpsychose meehollen als ‘slappelingen’ en ‘verraders’ worden aangeduid, en waarin discriminatie en racisme tot nieuwe grondwaarden worden verheven. Daaronder liggen dan de scherven van de jaren zestig: een verloren zelfvertrouwen, een idealisme dat is omgeslagen in cynisme.
Karen Armstrong, een van de grote denkers over de verhouding tussen islam en moderniteit, beschrijft dit proces als een paradigmaverschuiving van de logos, de rede, met haar altijd nieuwsgierige, toekomstgerichte oriëntatie, naar de mythos, een magische, emotionele manier van denken die bovenal naar binnen is gericht, en die vooral in het verleden een richtsnoer zoekt voor deze verwarrende wereld. Dat gebeurt bij christenen en moslims, maar ook bij ons, kinderen van de Verlichting. Ook hier kan overtuiging omslaan in fundamentalisme.
Wie Nederland wil omvormen tot een culturele vesting, reduceert de ingewikkelde tijd waarin we leven tot één grote binnenlandse angstfantasie. Het is
| | | | een manier van denken die demagogen en sommige politici goed uitkomt, maar die langs de werkelijke problemen heen schiet. Wij, in onze moderne westhoek van Europa, zullen bij onszelf te rade moeten gaan over allerlei vaste waarheden. We zullen spijkerhard moeten zijn jegens degenen die onze gezamenlijke fundamenten willen vernietigen, maar daarin moeten we precies en zorgvuldig opereren. We zullen onze rechtsstaat overeind moeten houden en onze medeburgers moeten verdedigen, niet in de laatste plaats de allerzwaksten: minderheden, allochtone vrouwen en kinderen. We zullen soms pijnlijke maatregelen moeten accepteren, juist om belangrijke en zeldzame kwaliteiten te redden: onze pacificatie, met als nevenproduct onze befaamde tolerantie. We zullen de onverdraagzame islam moeten bestrijden, en tegelijk de humanistische krachten binnen de islam moeten omarmen. En uiteindelijk zullen we naar de bron moeten: de ontworteling, de vernedering, de almaar toenemende woede van de niet-westerse wereld.
Dit is een groot Europees probleem. Wij, Nederlanders, kunnen ons het nationale navelstaren niet langer permitteren. De echte uitdagingen en gevaren van de eenentwintigste eeuw zijn daarvoor te groot.
Wij zijn gedoemd tot kwetsbaarheid.
|
|
|