[p. A5v]
Op de vertalinghe van de Eclogas, ende Georgica Virgilii, door Karel van der Mander.
- Sonnet.
-
- De soet singhende Swaen die van de Roomsche stranden
- Ghy aerdich by ons loct door u Liers soete dwanck,
- Behoord' sijn vleughels niet te laten gaen in swanck,
- Nu Mars verwoedtcheyt soeckt ons' vrijheyt te doen stranden.
-
- Want het krijghel ghehoor der Belgische verstanden
- Voor de Poëten doof en haer constich ghesanck,
- Behaeght sich slechs alleen in der Trompetten clanck,
- Een schricklijck voorbood' van Libitinaes branden.
-
- In dees bedroefd' en boos, en ondanckbare tijt,
- Sult ghy de wel-verdiend' eer niet ontfaen, o Mander:
- De Neerlanders zijn doch niet dan vreemd'lingen meer.
-
- Maer soo dees rasery sy eenmael werden quijt,
- En de Neerlander weer sal worden een Neerlander,
- Dan sal u Nederlandt storten een vloet van eer.
-
- Door Cornelis Taemssoon.
- Van Hoorn.
|