[p. 6]
Tvveed' Ecloga, oft Boer-liedt.
Inhoudt.
Corydon verblindt door liefd' onwijslijck, Alexin claeght sijn leet, t'welck niet en baett: Daer nae bedenckt wat liefd' en luyheyt schaett, En wisselt sin tot nutten arbeydt prijslijck.
[p. 7]
-
- Den Poeet. Corydon.
- # T'had' vyerich, lief een Herder † Corydon,
- ‡ Alexis schoon, (sijns Heeren vreuchd') maer con
- Verwerven gheen hop', om verlanghen blusschen,
- Dan hy eenpaer, alleen int wilde tusschen
- Groen buecken dicht, in schaeuwigh coel bevang,
- Wt stroyen quam sijn onghebout ghesang
- Vergeefs, aldus slechts voor gebergt en wouden.
-
- Corydon.
- O ghy! en wilt in geender weerden houden
- Met mijn ghedicht, Alexi wreedt, en ghy
- En hebt oock gheen ontfermen over my:
- Ghy doet het schier my met der doot becoopen,
- Het Vee gaet nu in coele schaeuwen loopen,
- Haeghdissen groen, in doren-haghen oock
- Den berghen nu: ghestampt wildt tijm en loock
- Sterckrokich, draeght, Vrouw' Thestylis by standich,
- T'oegst-volck op't veldt, vermoeyt van hitten brandich.
- Maer t'wijlen ick nu dijn voet stappen nae,
- Dus onder gloed' der Somer-son hier gae
- Op mijn gheclaghs gheluydt in al der weghen,
- # En opt vercout ghesangh der Stapels teghen
- Clinct t'rijsich Bosch: Och hadd' my niet gezijn
- Veel meerder nut, en al veel min gepijn,
- Amaryllis ghestoortheyt al te heerden:
- Oock haer gewalgh, hoe spijtich vol hooveerden
|
# Dit is den Poeet naegebootst uyt de derde Eidyllion Theoiciti, daer Aepolis hem beclaegt by
sijn Vrijster onweert te zijn.
|
[p. 8]
-
- Menalcam oock, hoe moeyelijck? boven dit
- Al is hy bruyn, en ghy daer teghen wit,
- O ghy schoon kindt, hoe lieflijc om aenschouwen,
- Dijn verwe schoon wilt niet te veel betrouwen,
- Winde-bloem wit valt af in corter tijt,
- Kraeckbeyer swart vergadert men met vlijt.
- My ghy veracht, Alexi, door misroecken,
- Wat Man ick zy, wilt ghy niet ondersoecken,
- Hoe rijck ick zy van Schaep-kudden en van
- Sneeu-witte melck hoe overvloedich. Dan
- Heb ick noch wel een duysent Lammers erghen,
- Verstroyt als nu op die Sicily berghen:
- Oft Somer is, jae coud' saysoen, of welck,
- Gheentijdt en ben ick sonder verssche melck.
- Ick singh ooc noch fraey versen, jae soodanigh
- Als opt gheberght' Aracynth' Actranigh
- Sanck Amphion den Dirceer, of Thebaen,
- Waer med' hy plach sijn kudden roepen aen.
- Voorts acht ick my oock niet te wesen leelijck,
- Want corts ick sach my aen den oever heelijck
- In Zee, als al den windt was sacht ghestilt:
- K'en vrees', indien ghy recht oordeelen wilt,
- In schoonheyt niet den schoonen Daphnin wijcken,
- Of qualijck moet int water men ghelijcken.
- Och hadt ghy slechs met my te woonen lust
- Op d'Ackers vuyl, jae schuylen wel gherust
- In Hutten cleen ootmoedich, en met pijlen
- Den Herten snel doorschieten: en somwijlen
- Te jaghen oock Ree-bocken yet ghewont,
- In Maluw' groen, om daer te zijn ghesont.
- In Bosschen ghy met my te saem ghespannen,
- Met sangh en spel, ooc soudt nabootsen Pannen.
- T'was Pan die eerst van al ghevonden heeft,
- Dat men met wasch meer pijpen t'samen cleeft.
- Pan sorght voor kudd' en schapers daer beneven,
- Berout niet dat gh'aen fluyten hebt ghewreven
[p. 9]
-
- Dijn lippen: want wat heeft al niet besocht
- Amyntas oock, op dat hy't connen mocht?
- Ick heb oock noch een Ruyspijp t'mijnen huyse
- Van Scheerlingh cruydt, met seven dobbel buyse,
- Die ick te schenck van Damets verwerf
- Voormaels, en sprack tot my recht soo hy sterf,
- Hy heeft u nu, den tweedden om te blasen,
- Dit sprack, eylaes, Dametas: maer den dwasen
- Amyntas dies was nijdich heel en al.
- Noch vandt ick corts, in een onseker dal,
- Reebocxkens twee, met wit besprengde vellen,
- Die daeghlijcx van een schaep nu beyd' ontswellen
- Den alder, oock voor dy ick die bewaer
- Tot een gheschenck: doch om die wech voor haer
- Te drijven, bidt vrouw' Thestylis, en conde
- Gheschieden wel, dat ickt te doen haer jonde,
- Want by dy zijn mijn giften vuyl veracht.
- Och schoon kint, comt: want Lelys toegebracht
- Van Nymphen dy hier zijn met volle korven:
- # Siet Naïs schoon, Godinn' al onverstorven
- Afpluckend' oock de violetten bleeck,
- En toppen van den Mancop (sy niet leeck)
- Maeckt ruyckers moy, en krantsen t'uwen wille,
- De schoon Narciss', en bloeme van de dille,
- Soetreuckich sy daer in ghevlochten doet:
- Lavender oock, en veel meer cruyden soet,
- Goutbloemich al doorschildert boven desen.
- Kraeckbeyers oock sal ick selfs voor u lesen,
- Quee-appels grau, die sacht boomwollich zijn,
- Castaignen oock, die soo lief waren, mijn
- Amaryllis, selfs sal haer fruyt vereeren
- De was-gheel pruym, en ooc den hoop vermeeren:
- O Lauren ghy, en Myrten u de naest,
- V beyden oock te plucken ick my haest:
- Want ghy aldus zijnd' onder een vermenghet,
- Al t'samen voort seer soeten reucke brenghet.
|
|
[p. 10]
-
- Ay Coridon, ghy zijt een Boerich gast,
- Alexis doch niet op u gaven past,
- En soo ghy wedt met giften Iolas rijcken,
- Ontvrijder oock en sal voor dy niet wijcken.
- Ellendich ick verloren, arem dwaes,
- Wat heb ick doch ghewilt bestaen, eylaes,
- Den Zuyden windt die vocht is in de blomen,
- En Verckens wildt, in bornen ded' ick comen.
- Wtsinnich kindt, ay wien vliedt ghy soo snel?
- De Goden self ghenoten hebben wel
- Der Bosschen woonst': en ooc de woonste daer is
- Voormaels geweest van den Dardaenschen Paris.
- Laett Pallas self t'Palays van haer gheboud
- Bewoonen vry, maer t'groene wilde Woud
- Zy ons voor al wellustend' en behaghend:
- Van oogen dweersch leeuwinn' is wolf najagend,
- Den Wolf de Geyt', de dertel-Geyt eenpaer
- Bloey-claver soeckt: maer dy Alexi, naer
- Volgt Corydon, door schoonheyts soet aenlocken,
- Een yeder is tot sijn wellust ghetrocken.
- Siet nu aen t'Iock daer hangend' opgeschort,
- Den ploegh naer huys hersleept van d'Ossen wort,
- De Sonne vliedt, de schaeuwen dobbel groeyen:
- Maer al vergaet dus t'middach hittich broeyen,
- Der liefden vyer altijdts in my brandt noch,
- Wat mat' of eynd' is in de liefde doch?
- Ay Corydon, ay Corydon, wat sotheyt,
- Dat ghy u quelt met liefde t'uwer spotheyt,
- En dijn wijngaert die hanght al over tijt,
- Maer half ghesnoeyt aen bladig' Olmen wijdt.
- Ghy mocht veel eer tot ons ghebruyck nu gissen,
- Te vlechten wat van biesen sacht oft wissen.
- Ghy vindt noch wel een ander Alexin,
- Quelt desen dy te seer teegh uwen sin.
-
- Tweedd'Boer-lieds eynd'.
|