[p. 44]
Achtst' Ecloga, oft Boer-liedt.
Inhoudt.
Damon verlieft op Nys' is uytghestreken,
Den beesten hy met droeven sanck beweeght,
Sijn Toovery Alphesibeus pleeght,
Dat Daphnis comt uyt Stadt nae huys ghestreken.
[p. 45]
-
- Damon. Alphesiboeus.
- Een Herder-liedt sal ick ons nu verconden,
- Hoe Damon ooc Alphesibeus conden
- Soo wel om best en aerdich singhen, dat
- Verwondert seer, de veerse gants vergat:
- Al t'lieve gras, en mede door t'bemanen
- Verbaesden sich de Losschen: en soodanen
- Cracht heeft in stilt' der vlieten loop verkeert.
- T'liefdich gedicht van Damon droef verseert
- Ick singhen sal, met eenen het belesen
- Alphesibe': verleent my dan tot desen
- V jonst en hulp, O ghy # , t'zy of ghy doet
- V reyse nu daer by Timavi # vloet
- Op clippen woest die hoogh verheven steylen,
- Of dat ghy nu doorsnijdt int overzeylen
- D'Illyri Zee, alsoo't wel wesen mach.
- Salt nemmermeer zijn den ghewenschten dach
- Dat gh'oorloft my sal wesen uyt ghenaden,
- Te singhen al dijn vroom' heerlijcke daden?
- T'werdt my gheduldt nochtans eer langen tijdt
- Te draghen noch in al de Weerelt wijdt
- V Dichtens lof: jae Dichten die te spelen
- Alleen sijn weerdt op Sophoclis † Toonelen:
- T'begin van dy, werdt oock den eyndt van dy.
- Dus bid ick, neemt in danck mijn Dichten ghy,
- Die ick aenvingh, en dat door u ghebieden:
- Iae oorloft doch, en latet vry gheschieden,
|
# O ghy, hier meent den Poeet, Pollio.
# Timavus, een Vliet by Venetien.
† Sophocles een bysonder Griecx, Treurspelschrijver, Plin. lib.
7. cap. 29. starf van blijdschap, cap. 53.
|
[p. 46]
-
- Dat desen clijf ootmoedich nu voortaen
- D'hooftslapen dy int rond' oock mach bevaen,
- En onder een met seegsche # Lauwer cruypen.
- De nachtsche schaeu' met cout en vochtich druypen
- Van Hemel was alsnoch vertrocken nouw,
- Van cruyden noch claer-blinckend' al van douw
- Zijn int ghemeen den kudde meest behaeghlijck,
- Doe Damon dus begon sijn versen claeghlijck,
- Al lenend' op Olijven stam beswaert.
-
- Dam.
- Op, Lucifer, # comt
brengt nu met der vaert
- Het kippen claer des daegs ons voort genoeglijc,
- Dewijl' ick ben ghestreken uyt onvoeghlijck,
- Door liefd' onweerdt, die ick tot Nys' ontrou
- Ghedragen hebb', en hoept' haer mijn huysvrou,
- Maer sy bedroogh my met haer valsche woorden:
- De Goden hoogh, mijn tuygen die't aenhoorden,
- Wel claghen mach ick al mijn lijden groot
- Al stervend' nu in alderhooghsten noot.
- O mijn Boer-fluyt, begint voor alle dinghen
- Op sijn Menaelsch met my nu versen singhen.
- Menael # den Bergh is altijdt
wel voorsien
- Van Wouden dicht die ruysschen: boven dien
- Pijnboomen hoogh die altijdts spreken teghen,
- Hy hoort altijdts de liefden aller weghen
- Der Herders jonck: ooc Pan, d'eerst onvernoegt,
- Met eensaem pijp, maer heefter by ghevoegt:
- O mijn Boer-fluyt, begint voor alle dinghen
- Op sijn Menaelsch met my nu versen singhen.
- De schoone Nys' is Mopso voor sijn deel
- Ghegheven nu: t'gaet wonderlijck gheheel,
- Wy minnaers doch, wat isser dat wy souden
- Niet hopen dan als sulcx gheschiet? wy houden
- Dat met der tijdt Grifoenen wreedt van aert
- Wel mochten zijn met Paerden noch ghepaert:
- Iae Geytkens wildt vreesachtich met den Honden
- Wel mochten noch vereenicht in naestonden
- Te drencke gaen: Nu haest u Mopse, hout
|
# Seegsche is verwindsche.
# Lucifer lichtdrich de Dach-sterre.
# Menalus een geberght in Arcadien, vol Herders en Vee.
|
[p. 47]
-
- Nieu tortsen, want t'wijf dat ghy hebt ghetrout
- Die brengtm' u t'huys: dus bruydegom te rapen,
- Stroyt voor de jeught nu noten, want om slapen
- Naeckt nu den tijdt: siet, † Hesper t'uwer baet
- ‡ Oetam laet alree, en
t'wordt al laet.
- O mijn Boer-fluyt, begint voor alle dinghen
- Op sijn Menaelsch met my nu versen singhen.
- O Nysa! wel by weerdich Man ghevoeght
- Zijt ghy, terwijl' u niemandt heeft ghenoeght,
- Terwijlen ghy mijn fluyt benijdt onmatich,
- En t'wijlen ghy mijn Geytkens al zijt hatich,
- En ruygh gehayrt oock mijn wijnbrouwen dicht,
- En mijnen baert wijdt uytghespreydt, seer licht
- Grouw't ghy hier van: maer valschen eedt te spreken
- En grouw't u niet, noch u beloft' te breken:
- Iae self ghy g'looft daer is gheen Godt die hier
- Sijn toesicht heeft op sterflijcker bestier.
- O mijn Boer-fluyt, begint voor alle dinghen
- Op sijn Menaelsch met my nu versen singhen.
- Ick sach u cleen, u Moeder was u by,
- En ick was oock dijn g'leyder eens, doe ghy
- Soo plocktet af lancx onse boomgaerts haghen,
- Den appels versch bedouw't nae dijn behaghen.
- Een Iaer maer meer als elf en was ick doe,
- Iae dat ick recht maer conde reycken toe
- Den tacken teer van d'aerd', en t'fruyt aflesen.
- # Maer alsoo haest als ick aensach dijn wesen,
- So haest verdween ick door de liefd' verdwaest,
- Iae dwalingh' boos verleydde my soo haest.
- O mijn Boer-fluyt, begint voor alle dinghen
- Op sijn Menaelsch met my nu versen singhen.
- Wat liefd' is nu ten rechten ick wel weet,
- Ismarus Bergh van harde steenen wreet,
- Of Rhodops rotz onmogh'lijck om beweghen,
- Of wijdt van hier int uyterst' al gheleghen
- De Garamants gheberghten seer onsacht
- Dees al bestaen, jae zijn van het gheslacht
|
† Hesperus d'avondt-sterre, Lucifer oft Venus.
‡ Oeta, bergh in Thessali, in welcken de Sterren schijnen onder gaen.
|
[p. 48]
-
- Der liefden: want sy hebben vol misquamen
- Dit boose kindt ons voort ghebracht te samen,
- Maer gantschlijc niet van menschen zaet of bloet,
- Want in hem is vre noch ghenade soet.
- O mijn Boer-fluyt, begint voor alle dinghen
- Op sijn Menaelsch met my nu versen singhen.
- De wreede liefd' aenleerd' en gaf t'verstandt
- # De grousaem Moer haer onghenadigh' handt
- Int kinders bloedt seer fellijck te bevlecken,
- Des wreedtheyts Moer meucht ghy wel self bestrecken.
- Is nu de Moer hier wreedtst, of liefde t'kint?
- T'kint is verhardt, ghy Moer ooc wreet gesint.
- O mijn Boer-fluyt, begint voor alle dinghen
- Op sijn Menaelsch met my nu versen singhen.
- Dat nu den wolf voor schapen neem de vlucht,
- Iae Eycken hard' in plaetse van hun vrucht
- Dat daer op nu Orangien-appels groeyen,
- Tijdtloos en schoon oock op den Elsen bloeyen:
- Dat Amber vet en claer oock sweere staegh
- Wt schorssen groen van Tamarissen laegh:
- Laet d'uylen nu met Swanen wed-spel houden,
- En Tityr zijn Orpheus in de Wouden:
- En oock in mids Dolphinen † Arion,
- Die in de Zee soo constich spelen con.
- O mijn Boer-fluyt, begint voor alle dinghen
- Op sijn Menaelsch met my nu versen singhen.
- Dat alle dingh tot Zee moet worden saen,
- En midden oock al t'saem daer in vergaen:
- Ick seg' Adieu u voor een laetste groeten,
- O Bosschen al, nae dat ick hebbe moeten
- Nu derven dus de schoone Nysa straf,
- Sal werpen my in diepe golven af
- Van d'hooghste rotz tot in de locht verheven.
- O Nysa dan, ick stervend' wilt mijn leven,
- Als laetste gift die ick u oyt en schanck,
|
† Arion constich vedelaer, de schippers om sijn ghelt hem meynende
dooden, spranck in Zee, werdt door sijn soet spel van den Dolphinen te lande gevoert. P.m. lib. 9.
cap. 8. Plutarch. tom. I. int Gastmael der seven Wijsen.
|
[p. 49]
-
- Aennemen doch van dijn Damon in danck.
- Nu, o mijn fluyt, houdt op, wilt meer geen dingen
- Op sijn Menaelsch met my nae desen singhen.
-
- Den Poeet.
- Dit Damon sanck met grooten druck verseert,
- † Pierides nu hoeft wel dat gh'ons leert
- Alphestvei antwoord' vry ongheloghen,
- Want wy doch al, niet alles en vermoghen.
-
- Alph.
- Belesen ons nu Toover-water bringt,
- Blom-cranskens sacht hier om den Altaer wringt,
- Vet ijser-cruyt, en ‡ Manlijck wieroock t'samen
- Daer op verbrandt, op dat ick nae t'betamen
- Verandren doe van Daphnis mijnen Man
- De sinnen gants onstaed in liefden: dan
- Niet mijns ontbreeckt hier toe nae mijn begeeren,
- Dan slechs een vers om daer med' hem besweeren:
- Doet doch soo veel, mijn Toover-versen, dat
- Ghy Daphnim t'huys doet comen uyt der stat.
- Van Hemel wel de Toover-versen moghen
- Doen dalen af de Maen, en door t'vermoghen
- Van versen, Cirre als hier in hoogh gheleert,
- # Blyfft wel sijn mackers heeft verkeert.
- De coude Slangh in beemden wordt ghebroken,
- Als over haer soo versen zijn ghesproken.
- Doet doch soo veel, mijn Toover-versen, dat
- Ghy Daphnim t'huys doet comen uyt der stat.
- Voor t'eerste, siet, tot dryderhande stricken
- Bereyden wy u, Daphnin te bestricken,
- Dryverwich oock, ten derde mael ick draegh
- Dijn Beeldt rondtom den Altaer, en behaegh
- Met Godlijck eer u soo, want in oneven
- Ghetal altijdts de Goden vreucht aencleven.
- Doet doch soo veel, mijn Toover-versen, dat
- Ghy Daphnim t'huys doet comen van der stat.
- Met zeelen dan dryverwigh wilt nu knopen,
- Iae binden wel met dryderhande knopen:
|
† Muses heeten Pierides, na den bergh Pierius in Macedonien, non omnia postumus
omnes.
‡ Manlijck wieroock is eenich soo ghedropen als clootkens, leest Plin. lib. 12.
cap. 14. Want niet bruyckte men in offer dan manlijc.
# Sy nopen d'Aspide in Itali, met een riet, en spreken
woorden, dan breken soo veel litten als t'riet knopen heeft.
|
[p. 50]
-
- Amaryllis, ay wilt doch binden vast,
- Met eenen oock daer op te spreken past
- Nae recht gebruyc des swarte Consts verstanden
- Dees woorden, siet ic knoop hier Venus banden.
- Doet doch soo veel, mijn Toover-versen, dat
- Ghy Daphnim t'huys doet comen van de stat.
- In g'lijckerwijs als t'sachte slijc wort stijvich,
- En t'harde wasch daer teghen weeck en drijvich
- By eenderley hier vlammend' heete gloet
- Dat in mijn liefd' oock Daphnis worden moet
- So stijf en vast: maer daer van huys verflouwen
- In liefden heel tot eenigh' ander vrouwen:
- Stroyt sout en meel, en brandt de Lauren teer
- Met swaeflich crijt bestreken: want my seer
- Brant Daphnis quaet, den Lauwer hier voorhanden
- Ick op sijn Beeldt met solfer-vyer sal branden.
- Doet doch soo veel, mijn Toover-versen, dat
- Ghy Daphnim t'huys doet comen van de stat.
- Alsulck een liefd' ooc Daphnin moet bevangen
- Als jonghe Koe, die loopt met groot verlanghen
- T'verloren kudd' al soeckend' over al
- In Bergh en Bosch, niet denckend om naer t'stal
- Te gaen, maer blijft vermoeyt den nacht langh tegen
- Beeckwater claer int groen aldaer gheleghen:
- Alsulck een liefd' uytsinnich onberaen
- Moet houden hem in banden oock ghevaen,
- En dat alsdan gheen sorgh' en zy gheresen
- In my, om hem sijn smerten oock ghenesen.
- Doet doch soo veel, mijn Toover-versen, dat
- Ghy Daphnim t'huys doet comen van de stat.
- Meyneedich hy, die my heeft dus bedroghen,
- My voortijdts liet dees cleeren uytghetoghen,
- Die my van hem als panden zijn seer waerd,
- Ick schenck u dan dees panden voort, o Aerd',
- En legtse, siet, hier onder dorpel neder,
- Op dat sy my doen Daphnim hebben weder.
[p. 51]
-
- Doet doch soo veel, mijn Toover-versen, dat
- Ghy Daphnim t'huys doet comen van de stat.
- Dees cruyden al, die giftich zijn en schadich,
- Wt Pont', alwaer veel sulcke wassen stadich,
- My Meris self eens gaf: en heb ghesien
- Dat Meris dicks, hem door de cracht van dien,
- Heeft Wolf gemaeckt, en liep in bosschen schuylen:
- Ick sach hem dicks verwecken uyt de kuylen
- Der graven diep, de zielen: jae en dan
- Sach ick den oegst en t'koren hem oock van
- Een Acker-veldt tot op een ander voeren,
- Door dingen vreemdt die swarte Const beroeren.
- Doet doch soo veel, mijn Toover-versen, dat
- Ghy Daphnim t'huys doet comen van de stat.
- Wilt d'asschen uyt, o Amarylli, brenghen,
- En over t'hooft in bloeysaem vlieten swinghen
- On omsien: want dan sal ick Daphnim vast
- Daer door terstont aenveerden, hy en past
- Op Goden geen: mijn Toover-versen crachtich
- En acht hy maer als dingen swack onmachtich.
- Doet doch soo veel, mijn Toover-versen, dat
- Ghy Daphnim t'huys doet comen van de stat.
-
- De vvoorden Amaryllis.
- Siet d'asschen daer gemaect van beefsche vlammen,
- Ghenomen haer te danck om niet vergrammen
- Ghewijdd' Altaers, dewijl' ick heb ghetoeft
- Te saemlen, oock t'wech-draghen alst behoeft,
- Gheeft dat wy doch hier van wat goets becomen.
- K'en weet ghewis niet watter van sal comen,
- Dat Hylax hier dus op den dorpel bast:
- Ist g'looflijck oock? comt hy? oft zijn soo vast
- De minnaers blindt inwendich dat sy dencken
- Hun droomen waer te zijn, of wat sy dencken?
- Ghenoech, hout op mijn Toover-versen wat,
- Siet Daphniscomt nae huys nu uyt de stadt.
-
- Achtst' Boer-lieds eynd'.
|