Van wel schilderen, oft Coloreren.
Het twaelfde Capittel.
1
Indien het teyckenen by den Lichame
*
Te ghelijcken is, in manier van spreken,
Met zijn verscheyden leden ten betame,
Soo en sal t'schilderen niet onbequame
By den Gheest oft de Siele zijn gheleken:
Want door verwen worden de doode streken
Der teyckeninghen te roeren en leven,
En de rechte verweckinghe ghegheven.
2
Iae het teyckenen is als t'Aerdtsche beelde
*
Van
Prometheus,
het welcke
Minerven
Goddinne der Consten niet en verveelde,
T'schilderen als t'Hemel-vyer, dat hy steelde,
En daer hy mede, tot zijns selfs verderven,
Zijn werck beweginghe dede verwerven,
En werdt also een
Pandora
met spoede,
Te weten, t'overschot van allen goede.
3
Niet onghelijck, maer recht op de maniere,
*
Dat Poeten hun versen en ghedichten,
Al singhend', om t'ghehoor fraey van bestiere,
Houwelijcken eendrachtich met der Liere,
Oft ander speel-tuygh, moeten wy beslichten,
Dat wy, om verlustighen de ghesichten,
Oock de Teyckeningh en t'Schilderen paren,
Ghelijck men de stemmen doet met der snaren.
4
Ick en derf u niet prijsen noch versmaden,
*
Dat eenighe wel gheoeffent expeerdich,
En vast in handelinghe cloeck beraden,
(Niet licht'lijck verdolend' in cromme paden,
maer om hun Const zijn Meesters name weerdich,
Gaen toe, en uyt der handt teyckenen veerdich
Op hun penneelen, t'ghene nae behooren
In hun Ide' is gheschildert te vooren.
5
En vallender aen stracx, sonder veel quellen,
Met pinceel en verw', en sinnen vrymoedich,
En dus schilderende dees werck-ghesellen,
Hun dinghen veerdich in doot-verwen stellen,
Herdootverwen oock te somtijden spoedich,
*
Om stellen beter: dus die overvloedich
In't inventeren zijn, doen als de stoute,
En verbeteren hier en daer een foute.
6
Iae vorderen alsoo hun werck met luste,
[fol. 47r]
origineel
Hun voornemen uytvoerende met eeren,
Dit mach wel voeghen de Schildersch'
Augusten,
Die in Consten toenemen sonder rusten,
En in stout schilderen t'rijcke vermeeren:
*
Doch al canmen aldus vrymoedich leeren
Met de verwe handelen sonder schricken,
Wilt het nochtans met yeder soo niet schicken.
7
Ander zijnder, die met veel moeyten swaerlijck
Wt schetsen oft teyckeninghen met hoopen
Hun dinghen te samen rapen eenpaerlijck,
*
En teyckenen daer nae suyver en claerlijck,
Volcoomlijck wat sy in den sin beknoopen,
Op t'primuersel, met een verwe, die loopen
Can, dunne ghetempert, oft treckent netlijck
Met Potlloot, en vraghent reyn onbesmetlijck.
8
Iae alle dinghen seer vast en ghewislijck,
Soo wel binnewerck als omtreck by maten,
Sonder een trecksken te falen vergislijck,
Dit en gaet niet qualijck, noch vry niet mislijck,
*
maer comt in't schilderen grootlijcx te baten,
En op dat het allesins wel mocht laten,
En niet versterven, hun verwen sy mede
Wel ghetempert gheven yeder haer stede.
9
maer d'Italianen, hoe sy hun saken
*
Voornemen, t'zy op mueren, oft penneelen,
Wt versierde schetsen, met neerstich waken,
Sy wel ghestudeert hun cartoenen maken,
Alsoo groot als hun werck in alle deelen,
En calcherent met stecken van pinceelen,
Oft met eenich punt, dat daer toe mach voeghen,
Gaen sy't van trecke te trecke doorploeghen.
10
Op dat het ghewislijck, sonder beswijcken,
In't werck soude comen, en wel ghelucken:
Om in Oly-verwe, sy't eerst bestrijcken
Van achter met crijt, of yet desghelijcken:
maer op den muer noch weeck zijnde sy't drucken
Door (als gheseyt is) te weten, om stucken
In Fresco maken, met gheleerde handen,
Welck geen ghebruyck en is hier in ons Landen.
11
Nochtans den
Florentijn,
die soo wel houwen
*
Als verwen const, doe sy des
Vaticanen
Oordeel in Oly hem wilden doen bouwen,
Welck hem niet en luste, want niet dan Vrouwen
Ambacht oft werck gherekent was soodanen
Wijse van schilderen, naer zijn vermanen,
Dan in Fresco wercken heeft hy ghepresen
Een constich, en Mannelijck doen te wesen.
[fol. 47v]
origineel
12
maer dat het hier gheen ghebruyck is bedeghen,
Als t'ghen'
Angelus
hier toeschrijft de Wijven,
Het Fresco soude hier in Hollandt teghen
De harde Locht, Windt, Sneeu, Haghel, en Reghen
*
Qualijck houden, door
Boreas
bedrijven,
Wtwendich, jae selfs inwendich niet blijven
Oock seer langhe misschien schoon in ghedueren,
Om de groote vochticheyt deser mueren.
13
Ten anderen, can tot gheen oorboor strecken
Dit Calck, datmen brandt van soutte Zee-schelpen,
Want het slaet uyt met schimmelighe vlecken,
T'moste steen-calck wesen van ander plecken,
*
Als Doornicks, oft ander, soo mochtet helpen
Teghen onweder en vorst, quaet om stelpen,
Bestander, en zijn in't schilderen lijvich,
En alsoo niet uytslaen, alst droogh is stijvich.
14
maer dit nu oversleghen, de cartoenen
*
Te maken soo groot als u wercks bevanghen,
Is nut en dienstich, met een cloeck vercoenen
Gheordineert, en het sal u versoenen
In arbeydt, want ghy sult hem voor u hanghen,
Om niet te verloopen in vreemde ganghen,
Noch den aerdt te verliesen, maer u pooghen,
nae t'voorbeeldt alles te diepen en hooghen.
15
Want ghehooght en ghediept hoeft wel op gronden
*
V cartoen schilderich aerdt te ghenieten,
Datter gants gheen ghebreck en zy bevonden
Aen afsteken, diepen, verheffen, ronden,
Soeticheyt, vloeyen, verdrijven, verschieten:
Ghy en moet u den arbeydt oock verdrieten
Niet lichtelijck laten, maer stadich haken,
Door vlijt ter hooghster welstandt te gheraken.
16
Ons moderne Voorders voor henen plochten,
*
Hun penneelen dicker als wy te witten,
En schaefdens' alsoo glat als sy wel mochten,
Ghebruyckten oock cartoenen, die sy brochten
Op dit effen schoon wit, en ginghen sitten
Dit doortrecken soo met eenich besmitten,
Van achter ghewreven, en trockent moykens
Daer nae met swarte krijkens oft potloykens.
17
maer t'fraeyste was dit, dat sommighe namen
Eenich sme-kool swart, al fijntgens ghewreven
*
Met water, jae trocken, en diepten t'samen
Hun dinghen seer vlijtich naer het betamen:
Dan hebbenser aerdich over ghegheven
Een dunne primuersel, alwaer men even
Wel alles mocht doorsien, ghestelt voordachtich:
[fol. 48r]
origineel
End' het primuersel was carnatiachtich.
18
Als dit nu droogh was, saghen sy hun dinghen
Schier daer half gheschildert voor ooghen claerlijck,
Waer op sy alles net aenlegghen ginghen,
*
En ten eersten op doen, met sonderlinghen
Arbeydt en vlijt, en de verwe niet swaerlijck
Daer op verladende, maer dun en spaerlijck,
Seer edelijck gheleyt, gloeyend' en reyntgens,
*
Met wit hayrkens aerdich ghetrocken cleyntgens.
*
19
O seldtsame
Durer,
Duytschlandts beroemen,
Te Franckfoort in't Clooster daer sietmen blijcken
Dees suyver edelheyt, weerdich te noemen:
*
Iae
Brueghel
en
Lucas
al dese bloemen,
Te recht
Plus ultra
schreven in de rijcken
Der Schilders, voormaels met een vast bedijcken,
Datse niemant licht en soud' achterhalen,
Met
Ioannes,
voor al den principalen.
20
Op dees edelheyt dees t'samen wel pasten,
En leyden hun verwen schoon, net en blijde,
Ginghen de penneelen soo niet belasten,
Als nu, dat men schier blindelijck mach tasten
En bevoelen al t'werck aen elcker sijde:
Want de verwen ligghen wel t'onsen tijde,
*
Soo oneffen en rouw, men mochtse meenen
Schier te zijn half rondt, in ghehouwen steenen.
21
Netticheyt is prijsich, die den ghesichte
*
Soet voedtsel ghevende doet langhe merren,
Bysonder als haer aenclevend' is dichte
Oock aerdt, gheest, en cloeckeyt, en datse lichte
Haren welstandt niet en weyghert van verren,
Niet meer als van by, sulck dinghen verwerren
Doet aen hem, en door ooghen onversadich,
T'herte vast cleven met lusten ghestadich.
22
Van
Tizianus
den grooten wy mercken,
Wt
Vasari
schriften ons wel profijtich,
*
Hoe hy in de bloeme zijns Ieuchts verstercken
Plocht uyt te voeren zijn constighe wercken,
Met onghelooflijcke netticheyt vlijtich:
De welcke niet te berispen verwijtich
En waren, maer behaeghden wel een yder,
T'zy ofmender verre van stondt oft byder.
23
maer ten lesten met vlecken en rouw' streken,
*
Ginck hy zijn wercken al anders beleyden,
Welck natuerlijck wel stondt, als men gheweken
Wat verre daer van was, maer niet bekeken
Van by en wou wesen, het welck verscheyden
Meesters willende volghen in't arbeyden,
[fol. 48v]
origineel
En hebbender niet van ghemaeckt te deghe,
Dan een deel leelijck goets ghebracht te weghe.
24
Sy meenden den wel gheoeffenden slachten
*
En hebben miswanich hun self bedroghen,
Om dat sy zijn werck sonder arbeydt dachten
Te wesen ghedaen, daer d'uyterste crachten
Der Consten met moeyt' in waren gheploghen:
Want men siet zijn dinghen overghetoghen
En bedeckt met verwen verscheyden reysen,
Meer moeyt isser in als men soude peysen.
25
maer dees maniere van doen uyt bysonder
Goet oordeel en verstandt van
Tizianen,
Is schoon en bevallijck gheacht te wonder:
Want (seyt
Vasary
) den arbeydt daer onder
*
Groote Const bedeckt is, en dat soodanen
Schildery te leven men schier mocht wanen,
En als gheseyt is, dat zijn dinghen schijnen
Lichtveerdich, die doch zijn ghedaen met pijnen.
26
Hier heb ick, o edel Schilder scholieren,
V voor ooghen willen beelden en stellen
Tweederley, doch welstandighe manieren,
*
Op dat ghy met lust u sinnen mocht stieren
Tot het gheen' uwen gheest meest sal versnellen:
maer soude doch raden u eerst te quellen,
*
En u te wennen, met vlijtighe sinnen,
Een suyver manier, end' een net beginnen.
27
Wilt moedt dan rapen met gheestich verblijden,
*
Met stalen gheduldt u ghemoedt bevesten:
Ghy schildert net oft rouw, wilt altijt mijden
V werck met cantighe hooghsels besnijden,
Soo sy voormaels deden, welck niet ten besten
En stondt, maer ghebruyckt, soo men nu ten lesten
De welstandichste manier' heeft ghevonden,
Want d'Ouders wercken en wilden niet ronden.
28
maer t'stondt al te plat soo cantich een dinghen,
*
Dus wilt u ter beste wijse toe strecken:
By ghelijck'nis, een Colomne bestringhen
Suldy, en haer dickt' op dry deelen bringhen,
*
Van eender wijdde tusch de buyte trecken
Twee punten, en op t'eerste punt verwecken
Suldy u claer hooghsel, en op het tweedde
V bruynste diepsel, op zijn rechte breedde.
29
Laet tusschen beyden uwen grondt verliesen,
*
maer t'hooghsels omtreck in diepsel by maten,
Den anderen mach een weerschijn verkiesen.
Nu aengaende t'verwen, laet niet vervriesen
V blos, noch soo cout oft purperich laten:
[fol. 49r]
origineel
Want sulck een lacke wittigh' incarnaten,
*
Carnaty en can niet lijfverwigh bloeyen,
maer vermillioen doet al vleeschigher gloeyen.
30
Om wel doen gloeyen hebt u speculaty,
maeckt dat u diepsels over een wel commen
Allesins nae den eysch met u carnaty,
De welcke verscheyden heeft goede graty:
Aen Kinders, maeghden, en jeuchdighe Blommen,
*
Op de verscheydenheyt der Ouderdommen,
En Volck, die daeghlijcx in Sons hitte braden,
Wel acht te nemen en sal u niet schaden.
31
Aen Boeren, Herders, en aen die daer varen
*
Door wilde golven, met stormen bestreden,
Daer salmen den ghelen oker niet sparen
Onder t'vermillioen, want als of sy waren
Schier half ghebraden sien hun bloote leden,
Ofmense sagh' ondeckt in sulcke steden,
Daerse daeghlijcx bevrijdt zijn van der hitten,
Daer trocke de carnaty meer ten witten.
32
In't schaduwen moet ghy u wijslijck draghen,
Om geensins van t'natuerlijcke te wijcken:
De ghemeen ooghe soeckt oock te behaghen,
*
Somtijden versiert weerschijnende daghen,
Doet u diepsels vry vleeschachtich ghelijcken,
En u hooghsel enckel carnaty blijcken:
*
Hooght so niet met wit Mans naecten noch Vrouwen,
Geen puer wit in't leven blijckt in't aenschouwen.
33
Om dat veel alsoo becladden hun naeckten
*
Met wit in't hooghen, en daer in soo dwalen,
Op dat sy voorder sulcx niet meer en maeckten,
Warender eenighe Schrijvers, die haeckten,
Dat het Loot-wit soo duyr waer te betalen,
Als edel schoon steenen, die men moet halen
In verre Landen, van costlijcker mijnen,
Oft also dier als schoon Oltremarijnen.
34
Om nu wel van t'hooghen den sin bespooren,
Sal ick ons verhalen uyt
Goltzy
spreken,
Hoe
Titianus
(t'is weerdich om hooren)
In eenen Kerstnacht met den hoofde vooren
maeckt' eenen Herder, comende ghestreken,
Al waer op't voorhooft, om wel doen uytsteken,
Een eenich hooghsel maer en is verschenen,
Daer al de reste vliet bedommelt henen.
35
Dus zijn d'Italianen al bedachter
In't verwen als wy zijn, hoe wy ons pooghen,
*
Hun dinghen staen veel poeslijcker en sachter,
Als d'ons' en doen, oock wy ghemeenlijck achter
[fol. 49v]
origineel
En vooren al even licht willen hooghen,
Niet alleen siet ons dinghen uyt den drooghen,
maer als w'ons best vleesch te schilderen meenen,
Soo isset al visch, oft beelden van steenen.
36
Dus moeten wy toesien, dat ons wat milder
De Pinceelen moghen zijn jonstich coene,
Op dat oock t'wel verwen by ons verwilder:
Iae wy moeten bedencken, hoe den Schilder
*
Wel soo veelderley verwen heeft van doene,
Om een troenge te schild'ren, als men groene,
Blaeuw, gheel, en van alles behoeft nootsakich,
Om maken een Landtschap schoon en vermakich.
37
maer sacht moet het zijn al in een verdreven,
Op dat het niet en stae te hardt, en vleckte,
*
maer aerdich, ghelijck gheblasen verheven,
naevolghend' altijt voor het best, in't leven
T'patroon, dat oyt menich goet Schilder weckte:
En blijft dan niet, als moetwillighe Secte,
Aen u valsch' opiny te vast ghebonden,
maer overspeelt hier vry, ten zijn geen zonden.
38
In quade maniere blijft niet volheerdich,
*
Ghy hebtse niet ghetrouwt, ten is geen schande
Haer voor een beter te wisselen veerdich,
Veranderen in't goed' is prijsens weerdich,
Men gheraeckt allencx ten rechten verstande:
Het lamp-swart om naeckten bant uyt den lande,
*
Laet u in't ghebruyck neffens umbre werden,
Aspalten, Ceulsch' eerden, en terreverden.
39
Het lamp-swart in diepsels meuchdy wel derven
In naeckten, jae of doen uyt u memory:
Het wil (seght
Vasary
) te hardt versterven:
*
Want
Raphel
vermaert in al s'Weerelts erven,
In zijn leste werck te
Peter Montory,
De Transfiguraty, tot zijnder glory,
De verwen souden versch ghedaen ghelijcken,
Waert dat hy had willen het lamp-swart wijcken.
40
T'bederft die verwen daer't onder oft mede
Vermengt is metter tijdt, ter ander sijde
Maket een grijsheyt, en geen gloeyenthede,
Welck geen vleeschicheyt by en brengt ter stede:
Om dat de Son, schijnende t'allen tijde,
*
Een roo bloeyentheyt den vleesche gheeft blijde,
Daerom eenigh', om dit te weghe brenghen,
De Carnaty met Masticot vermenghen.
41
Doch hoewel sommighe dit soo beslichten
*
Een yeghelijck volghe de beste paden:
Ick meen, den Masticot meuchdy wel swichten,
[fol. 50r]
origineel
En ghebruycken hier toe seer schoonen lichten
Oker, als voorseyt is, t'is meer gheraden,
Dan zijn Carnaty te gaen overladen
Met dees swaer verwe, verstervich in't hooghen,
En quaet te verwercken, door t'haestich drooghen.
*
42
Meny en Spaens groen wilt oock vry versaken,
En Orpimenten, giftich van natueren,
V Pinceelen rad' ick wel schoon te maken,
Oft eyghen te houden, om schoon blaeuw Laken
Oft Lochten, en indient u mach ghebeuren,
Wilt u van langher handt van schoon coleuren
Passen te voorsien, en by houden leeren,
Als die de Const houdt in weerden en eeren.
43
De smalten behoeven wel in te schieten,
*
Hierom eenighe prickelen met naelden
Dicht hun penneelen, om sulcx te ghenieten,
Sommighe bliesen cladtpapier, en lieten
Die daer op ligghen, waer mede sy haelden
D'oly daer uyt, en eenigh' ander maelden
Met Heulsaeds oly, ander van ghelijcken
Ghebruycken Oly, ghemaeckt met practijcken.
Eynde van't wel Schilderen, oft Coloreren.
*
Teyckenen by t'lichaem, en schilderen by den gheest gheleken.
*
Teyckenen by t'rouwe beeldt Promethei gheleken, en schildere
n
by t'Hemel-vyer.
*
Teyckenen by t'Speeltuyghs gheluyt, en schilderen by den sangh vergeleken.
*
Stracx eerst op penneel te stellen, Meesters werck.
*
Verbeteren met herdootverwen.
*
Ten eersten schier sonder teyckenen schilderen, wil hem met yeder niet schicken.
*
Met veel moeyten yet by een brenghen, en dan net teyckene
n,
is vorderlijck in't schildere
n
.
*
Elcke verwe van eerst op haer plaets legghen, om niet versterve
n
.
*
Italianen maken cartoene
n,
dat zijn papieren soo groot als t'werck, net gheteyckent, dat sy dan doortrecken.
*
Hier is ghemeent Michel Agnolo, die noemde de Oly-verwe Vrouwen werck, en Fresco Mannen werck.
*
Fresco hier ongebruycklijck, om des Landts vochticheyt, en onghetempert weder.
*
Fresco moet op steen-calck wesen.
*
Den Cartoen is vorderlijck.
*
Cartoenen mosten hun hooghsels oock hebben.
*
De moderne witteden hun penneelen te dick, gebruycten oock cartons.
*
Trocken hun dinghen op het wit, en primuerden daer olyachtich over.
*
Deden hun dinghen veel ten eerste
n
op.
*
Durers werc te Francfoort tot exempel.
*
Durers werc te Francfoort tot exempel.
*
Brueghel, Lucas, en Ioannes van Eyck exempelen, va
n
ten eersten suyver op te doen.
*
Van de rouwicheyt eenigher in desen tijdt.
*
Nette dinge
n,
die noch de gheesticheyt behoude
n,
zijn prijselijck, en houden den aenschouwer lange speculerende.
*
Exempel Tizianus, zijn dingen stonden eerst wel van by, en van verre.
*
Tiziaen, veranderde zijn handelinghe, datse van verre alleen woude ghesien wesen.
*
Veel hebben Tiziaen meenen volghen, en zijn verdwaelt.
*
Tizianen dinghen, die met arbeydt ghedaen zijn, schijnen sonder arbeydt ghedaen.
*
Van twee een te kiesen, is gheraden.
*
Netticheyt voor eerst aen te wennen.
*
Moedt te grijpen, en hoe men schildert, cantighe hooghsels te mijden, want ten wil niet ronden.
*
De moderne oude dingen stae
n
veel plat.
*
Maniere van hooghen en diepen, Exempel een Colomne.
*
Van grondt, oft mezza tinta.
*
Van't gloeye
n
der carnatie.
*
Op't leven sal men acht nemen, in't carnatie coloreren.
*
Elck te coloreren, nae hy veel in de locht oft uyt is.
*
De ghemeen ooghe wil oock vernoeght zijn.
*
Vleeschachtige diepsele
n
.
*
Om te wit hooghen vermijden, waer ghewenscht t'Loot-wit so duyr, als edel steene
n
oft Oltremarijnen.
*
Nederlanders plege
n
niet wel te coloreren.
*
Een Schilder heeft wel soo veel verwen van doen in een troenge, als in't landtschap.
*
Van soet verdrijven.
*
Aen quade maniere niet ghebonden te blijven.
*
Lamp-swart in naeckten te mijden.
*
Lamp-swart doet versterven, Exempel de tafel an Raphael te Roomen, tot Sinte Pieter Montory.
*
Vleeschich coloreren.
*
Masticot in carnatie te mijden.
*
Meny, Spaens groen, en Orpimenten te mijden.
*
Smalten willen ingeschoten wesen, om minder versterven.