terug  begin  verder

Van Pyreicus, Schilder.

Als men (seght Plinius) soude handelen van de ghene, die met den Pinceel uytnemende van cleen dinghen ghewrocht hebben: onder dese is wel den

[fol. 84v] origineel

voornaemsten geweest met goet ghelijck Pyreicus: doch en weet ick niet, of hy al willens zijn gherucht socht slaperich te maken, en te stillen: want hy en begaf hem niet dan tot cleen werckskens: waer mede hy nochtans groote vermaertheyt noch vercreegh: ghelijck met te maken in cleen stuckskens winckels van Barbiers, van Schoenmakers, cleen Eselkens met gras en cruydt gheladen, en thien duysent dergelijcke beuselingen, en hier in nam hy so groot behaghen, dat hy daer van is toeghenaemt gheworden Rhyparographos, dat is gheseyt, Schilder van cleen beuselinghen. Niettemin zijn boersche en cleene werckskens, al en warent maer cleen stucxkens, worden dierder vercocht, dan groote stucken van anderen ghedaen.

terug  begin  verder