Het schilder-boeck


auteur: Karel van Mander


bron: Karel van Mander, Het schilder-boeck (facsimile van de eerste uitgave, Haarlem 1604), Davaco Publishers, Utrecht 1969  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Het leven van Sandro Botticello, Florentijnsch Schilder.

Ghelijck als Florencen was het bedde, daer ten lesten mael de Schilder-const haer jongste gheboorte hadde hercregen: soo zijn uyt haer vervolghens veel goede Constenaers voortghecomen, die alle te verhalen veel tijdt souden behoeven. Doch can niet wel voorby gaen Sandro Botticello Florentijn, die van t'Goudtsmeden, ghelijck den voorverhaelden Antonis, quam op t'schilderen, en nae zijn groote begeerte by Broer Philips. wiens maniere hy gantsch wel nae volghde: en noch jong zijnde, maeckte veel fraey wercken op nat kalck, en van Eyverwe, soeckende alle ander van zijnen tijde in de Const t'overtreffen, oft voorby te varen, bysonder Domenico Girlandaio, den welcken had gemaeckt eenen S. Ieronimus, daer hy Sandro hadde te maken eenen S. Augustijn, het welck hem wel gheluckte t'zijnen grooten lof: hebbende uytghebeeldt in de tronie die diepe ghedachten, en scherpsinnighe inghetrocken imaginatien, die ghemeenlijck zijn in verstandighe Sielen, die volckschouw ghestadich trachten nae hooge en onbegrijpelijcke dingen. Hier door is hy dan gheruchtich gheworden, en betrouwt veel ander dingen te maken. Van zijnder handt zijn twee stucken te sien in s'Hertogen speelhof: in d'een, daer Venus gheboren wort, daer Aura, en sulcke Winden, met een deel Liefdekens, diese te lande brengen: in d'ander oock een Venus, daer de Gratien met bloemkranskens haer vercieren, daer mede uytbeeldende den Lenten: dit was alles * gracelijck geschildert. Groote eere behaelde hy oock in een dry Coningen, daer hy den eenen maeckte t'kindeken de voet kussende met grooter liefde, schijnende wel te vreden soo lange reyse ghedaen te hebben, en was t'conterfeytsel van Cosimo de Medicis d'oude, gantsch natuerlijck gelijckende: d'ander twee toonen oock groote affectie tot t'kindt, wesende al goede Conterfeytsels. T'is niet te bedencken, wat schoonheyt Sandro in alle tronien te weghe brochte, en op verscheyden actien, soo van vooren in profijl, op half ooghe, ghebogen, en andersins: oock verscheyden wesens van ouderdommen, en meer vremdicheden, die eens Meesters volcomenheyt betuyghen, hebbende met eenen oock uytghebeeldt de dry verscheyden Hovelingen en knechten, datmen siet, welck den eenen oft den anderen Conings ghesin is. Dit werck was, en is voor allen Constenaren seer verwonderlijck, soo van inventie, teyckeninghe, en coloreringhe. Den lof hier van dede hem te Room comen, door de begheerte van Paus Sixtus de vierde, om in de Capelle, die hy hadde doen maken, van zijn Schilderije te hebben: hier won hy een groot deel gelts. Keerende te Florencen, bracht met ongewercken den tijdt en zijn ghelt om, makende een deel uytlegh op den Poeet Dante, en figueren van zijn Helle, om te drucken: des hy hem ten lesten vondt oudt en arm. Hy was al zijn leven langh seer boertich.

[fol. 107r] origineel

Eens had hy ghemaeckt een groot rondt, daer in een Mary-beeldt, midden acht Engelen. Dit had ghecopieert een zijn discipel, henoemt Biagio. Dees Copie vercocht Sandro aen een Burger ses guldens, waerom Biagio seer blijde was. Laet dit stuck (seyde Sandro) wat om hoogh stellen, dat het schoonen dagh heeft, en gaet haelt morghen vroegh den Burger, dien hy hem noemde, dat hy't also besie, dan sal hy u t'gelt tellen. Biagio dede also, en gingh om den * Burger. Terwijlen Sandro, en noch een knecht, Iacob ghenoemt, maeckten van papier acht roode capkens, oft clapmutskens, gelijck doe ter tijt die van den raedt van Florencen droegen, en vesteden dese op de hoofden der Engelen met wit was. Smorgens vroegh soo comt Biagio met den Burger, die (onwetens Biagio) van dese bootse wiste. Biagio op den winckel comende, opsiende, sagh zijn Marie-beeldt, niet midden Engelen, maer midden den raetsheeren van Florencen, met hun clapmutsen op: hy was verbaest, niet wetende wat segghen: dan alsoo den Coopman het stuck seer prees, en nergens van en vermaende, sweegh hy stille, en gingh so met den Man, die hem t'geldt telde, terwijlen deden sy de clapmutsen af: weder ghekeert zijnde met de ses guldens, sagh zijn raetsheeren weder Engelen gheworden, des hy hem seer verwonderde, hem vast daer over bedenckende, seyde ten lesten tot Sando: Meester, ick en weet niet oft my droomt, oft dat het waer is: dees Engelen, doe ick hier met den Man was, hadden al roode mutsen op, en nu en hebben sy geene, wat wil dit beduyden? Ghy ghemist u sinnen, seyde Sandro, dit ghelt maeckt u al van u selven: hadde dat geweest, meynt ghy dat het den Burger gecocht soude hebben? T'is oock waer, antwoorde Biagio, hy en heefter my doch niet van gheseyt, evenwel duncket my een wonderlijcke sake. Meer cluchten waren van hem te vertellen, die te lang te verhalen zijn. Hy beminde seer alle die in de Const vlijtigh waren. Hy won ghelt ghenoech, maer qualijck besteedt zijnde, gingh al verloren. Eyndelijck, wesende oudt en swack, op krucken gaende, is te zijnen 78. Iaren ghestorven, Ao. 1515.