Het schilder-boeck


auteur: Karel van Mander


bron: Karel van Mander, Het schilder-boeck (facsimile van de eerste uitgave, Haarlem 1604), Davaco Publishers, Utrecht 1969  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

T'leven van Francesco Francia, Schilder van Bolognen.

Dat den Constenaer in zijn ghemoedt oock heeft een verborghen moedighe latendunckenheyt, die zijnen lust levende maeckt, en is soo verwonderlijck niet: maer t'is bespottelijck, als die latendunckenheyt te heel blindt en onmatelijck is: ghelijck het ten lesten te deele is gheschiet met Francesco Francia, geboren tot Bolognen, Ao. 1450. Hy was in't opwassen seer wel gestelt van tronie, lijf en leden, en soo bevallijck, dat hy met zijn praten die bedroefste Menschen diemen vondt, conde vermaken en verblijden, wert deshalven van veel Princen en Heeren in Italien bemint. Eerst was hy een Goutsmit, daer hy veel fraey wercken in ghedaen heeft, seer schoon Medaillien nae t'leven, en andersins: maer tot meerder lof ghenegen, begaf hem tot de Schilder-const, eenighe jonghe Schilders in huys nemende, om de maniere van t'coloreren te leeren, so dat hy, hebbende goede teyckeninghe en oordeel, begon eenighe conterfeytsels en cleen dinghen te maken. Dus wert hy veel wercken in veel plaetsen en voor velen te maken, soo voor den Hertoogh van Vrbijn, en ander, dat hy grooten loon en lof behaelde. Eyndelijc hy te Bolognen woo-

[fol. 110r] origineel

nende, veel eere ghenietende van zijnder Const, rijck en gherust levende, hoorde daghelijcx veel lofs van Raphael van Vrbijn, te Room woonende, en dat door eenighe vreemdelingen, en Edellieden van Bolognen, die van Room quamen: en wederom, als die van Bolognen te Room quamen (gelijck yeder geern zijn eygen prijst), hadden veel lof te seggen van Francesco Francia: dus werdt door sulcx groote kennisse tusschen dese twee, datse malcander met Brieven ten lesten groetten. Francia was seer belust, door t'groot gheroep, om Raphaels dinghen te sien: maer alsoo hy een oudt Man was, bleef in zijn ghewoon Bolognen. T'gheviel Raphael maeckte voor den Cardinael de pucci santi quatro, * een Altaer-tafel van olyverwe, wesende een S. Cecilia, die te Bolognen tot S. Ioan op den bergh most staen, welcke hy in een casse ghesonden heeft aen Francia, dat hy als goet vriendt, sooder yet aen bedorven waer, oft soo hy eenige mercklijcke faute saghe, t'selve soude verhelpen, hy soude hem groot lief doen, en stellent soo op zijn plaetse, met zijn toebehoorende cieraet. Doe hy dit uyt Raphaels Brief had verstaen, dede hy met groote blijschap de casse open, en stelde dit stuck daer het schoonen dagh hadde. maer dese soo onghewaende uytnemende constighe Schildery siende, werdt soo wonderlijcke verbaest, in't bemercken zijnder dwase dolinge in latendunckenheyt, dewijle hy zijn dingen doe bekende soo nietigh daer by te wesen, dat hem dit so ter herten sloegh, dat hy starf, hebbende eerst het stuck doen stellen op zijn plaetse. Hy wert begraven Ao. 1518. t'zijnen 68. Iaren. Op zijn doot was ghemaeckt dese Epigramme:

 
Me veram Pictor divinus mente recepit:
 
Admota est operi, deinde perita manus.
 
Dumque opere in facto defigit lumina Pictor,
 
Intentus nimium, palluit, & moritur.
 
Viva igitur sum mors: non mortua mortis imago,
 
Si fungor quo mors fungitur officio.