Het schilder-boeck


auteur: Karel van Mander


bron: Karel van Mander, Het schilder-boeck (facsimile van de eerste uitgave, Haarlem 1604), Davaco Publishers, Utrecht 1969  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Het leven van Ioan da Vdine, Schilder.

De Schilder-const is genoech gelijck een schoon Vrouwe, die over haer Liefhebbers oft naevolgers seer jeloers is: want wiese niet ernstigh en bemint, noch en soeckt, die en vintse niet: en wiese heeft, en niet en oeffent noch en onderhoudt, die verliestse haest weder: maer wiese met snellen en levendighen gheest van jongs bemint en naevolght, dien sal sy haer ghewillich overgeven, also sy dede haren Ioan van Vdine. Desen jong wesende, was dickwils met zijn Vader op de jaght en vogelrije, en van kindts beene tot de Teycken-const natuerlijck ghetrocken, bracht zijnen jonghen tijdt, alst hem ghebeuren mocht, over met te conterfeyten, Honden, Geyten, Hasen, en alle soorten van dieren en vogelen, die hem ter handt quamen, en so aerdich, dat hem een yegelijck des verwonderde: door dese toegenegentheyt wert hy van zijn Vader te Venetien bestelt, by Giorgione van Castel Franco. Hier hoorde Ioan veel lofs van Raphael en Michael Angelo: des is hy met eenen Recommandaty brief aen Baldassar Castiglione, Raphaels groot vriendt, te Room ghecomen, en door den selven Castiglione in de Schole der jonghe Schilders by Raphael bestelt wesende, nam de beginselen en eerste lessen der Schilder-const seer wel aen, t'welck hem een groot voordeel was: want te nemen zijn begin by yemant op een quade maniere, is seer schadelijck: want het gebeurt selden, datmense can afwenden, en een beter naevolgen en aenwennen, dan met groote moeyte. Ioan sagh by Raphael een ander soete handelinghe, als hy te Venetien by Giorgion ghedaen hadde, doch was daer weynich tijts gheweest. Hy dan wesende van scherpen verstande, en goet van begrijp, volghde vlijtich de soete en gracelijcke maniere van Raphael, des hy in corter tijdt soo toenam, in teyckenen en schilderen, dat hy seer gracelijck en ghemackelijck nabootste alle natuerlijcke dinghen, Dieren, Lakens, Instrumenten, vasen oft kruycken, Landtschappen, gebouwen, en groenicheyt, dat hem niemant in dese Schole voorby en was: maer boven al had hy ghenuechte alderley vogelen te maken, dat hy eer lang eenen Boeck vol hadde, soo verscheyden en wel ghedaen, dat het een vroylijck tijtverdrijf was te sien voor Raphael, by wien een Vlamingh woonde, gehee-

[fol. 144r] origineel

ten Ian, een excellent Meester, in fruyten, bladen, en bloemen, ghelijckende t'leven: dese leerde Ioan nae hem oock maken: maer niet op so drooge, maer versche schoonder maniere. Ooc leerde hy maken Lantschappen, en groenicheyt, met gebroken gebouwen, die van anderen daer naer oock nagevolght, en in't ghebruyck zijn ghecomen. Raphael, die in zijn dinghen groot benoegen hadde, liet hem maken een Orgel, die de S. Cecilia, die te Bolognen is, in de handt heeft, die hy soo conterfeyte, datse natuerlijck verheven schijnen te wesen, soo zijn oock verscheyden Musijck Instrumenten, aen haer voeten liggende, boven dien zijn ghehandelt effen op de selve maniere van Raphael, dat het al van een handt schijnt te wesen gedaen. T'gheschiede corts hier naer, datmen by S. Pieter in vincula, in de ruwijnen van t'Paleys van Titus, graefde om beelden te vinden, en datter onder d'Aerde waren gevonden eenige verwelfde Camers vol Grotissen, cleen Figuerkens, en historikens, met eenighe cleen aerdighe cieraten van stucco, daer alles noch soo schoon en versch was, dat Raphael, en Ioan, die met hem was comen om dit te sien, seer waren verwondert, van der verscheyt niet alleen, maer van de schoonheyt en deucht van desen wercke. Dese grotissen met soo groote teyckeninge gedaen, en so verscheyden, versierlijck en cluchtich, en dese stucchi met verdeelde veldekens van verwe, met die historikens, soo lustigh en vrolijck, laghen Ioan soo diep in't hert en in den sin, dat hy hem begaf de selve, niet een oft tweemael, maer verscheyden reysen te teyckenen en conterfeyten: soo dat hy hem die maniere heel licht en doenlijck aenwendde te doen met een fraey gratie. Niet en faelde hem, dan dese schoon maniere van stucco, waer op dese Grotissen waren ghedaen: want al hadden veel voortijts ghesocht en geproeft hier over, sonder yet ghevonden te hebben, dan stucco te maken van playster, kalck, Griecx peck, wasch, en ghebroken backsteen, en daer op te vergulden: so en was noch van niemant sulck gedaen, als d'oude Antijcken in ghebruyck hadden, en gelijck dese, die daer ghevonden waren. Soo overleyde Ioan. om dese te maken met kalck en pozzolana dat is, eenich zandt, datmen buyten Room graeft: en dit makende, proefde te maken Beelden van half rondt: maer ten conde die gladdicheyt niet hebben als d'Antijcke, noch sulcke witticheyt. Doe dochte hy in het Trevertijnsche wit steenkalck yet te mengen, dat witter was als pozzolana: des liet hy stampen rouw stucken van Trevertijn-steenen: dit gingh wel redelijck toe, maer noch en was het niet wit noch effen. maer eyndelijck liet hy stampen en pulveriseren al * cleen en siften stucken van den alderschoonsten witten Marber, mengende dit met schoon Trevertijns kalck, vondt dat het oprecht, en sonder twijffel, den stucco was der Antijcken, ghelijck hy dat begeerde, en ten allen deelen wel beviel. Waer van hy seer verblijdt, toonde Raphael wat hy te weghe ghebracht hadde: welcken doe ter tijt, also men aen de Logien doende was, liet Ioan zijn nieuw gevonden Const te wercke daer leggen, en die Logien over al met stucco vercieren, en in fraey comparteringen omhelsen den Grotissen, op de maniere der Antijcken, die seer uytnemende vrolijck en cluchtich staen: Daer onder zijn oock Historikens, Lantschappen, Loofwerck, en Frijsekens: daer bracht hy d'uyterste macht te wercke, die in sulcken deele de Const vermach. Hier gingh hy, soo veel men sien can, eenige wercken der Antijcken van stucco oft schilderije, t'zijnen Colosseo of elder verre te boven: want men siet, oft en weet nergens, soo van oudts ghedaen te wesen Voghelen met den vederen, nae t'leven

[fol. 144v] origineel

ghecoloreert, van alle geslacht: en Visschen, water-gedierten, en Zee-monsterkens, op soo veel manieren: oock wat de Natuere op elck saysoen gheeft, van vruchten, druyven, fruyten, groenicheyt, bloemen, alderley vogel-cost, cooren, haver, en dergelijcke: doch alles te verhalen wat hier te sien is, waer niet anders, als yet onmogelijcx te willen bestaen te doen. T'eynden der Logie, daer dese dinghen zijn, hadde Ioan teghen eenen muer een behangh oft Tapijt gheschildert, * al waer den Paus na toegaende, liep een van den Palfeniers voorhenen, om het tapijt op te rapen, dat den Paus mocht passeren, dan hy vont hem bedroghen. Hier heb ick ghesproken van de bovenste Logie, een werck soo schoon als sterflijcke ooghe vermach te sien, waer uyt ontstaen is, niet alleen in Room, maer schier de Weerelt over, en uytgebreet so aerdigen manier van schilderen. Daerenboven is Ioan bysonder vermaertheyt weerdigh, te hebben sindert den Antijcken weder opgebracht, oft ghevonden de Const van t'rechte stucco, en daer toe de schoon maniere van Grotissen, op de rechte streke herbracht. In d'onderste Logie, boven dat de Grotissen en stucco uytnemende zijn, is het een lust te sien, hoe in de welfsels van onder op te sien, zijn open lochten gheschildert, daer ghecromde rieten versierich schijnen, als dragende wagens oft roosters, gheladen met wijnrancken, en druyven, en ander verscheyden groen ranckwerck, en daer op alderley voghelen en dierkens sittende, alles seer natuerlijck om sien: alwaer sommighe druyven schijnen een groot deel afghescheyden van het welfsel af te hangen. Elder is noch gheweest een sale, daer Ioan hadde geschildert alderley Papegaeyen van veelderley verwen, die doe den Paus Leo hadde, oock Meyrcatten, Baboinen, Ziberten, en alsulck vreemt ghedierte nae t'leven, seer uytnemende ghehandelt: maer tot groot schade der Const, heeft Paus Paulus de 4e. dese sale, om ander Camers te maken, gebroken, en t'Paleys van sulck bysonder cieraet berooft: t'welck zijn Heylicheyt niet gedaen en hadde, soo hy maer so edeler Consten deucht en weerdicheyt ghekent en hadde. nae noch eenigh ander werck, schilderde en wrocht hy van stucco de Logie tot Vigna di Madama, makende daer grotissen, festonen, gedierten, en frijsen, soo schoon, dat het schijnt, of Ioan in dit werck hem selven heeft willen overtreffen. Hier verdiende hy van den Cardinael Iulio de Medici een Canoninckschap van Civitale in Friuli, en voor zijn vrienden veel Beneficien, maer t'Canoninckschap gaf hy zijnen Broeder.Noch maecte hy hier nae in dese Vigna een Fonteyne, waer het water storte uyt een marberen Elephants hooft. Hier volghde hy naer in dese stancie gheheel eenen Tempel van Neptunus, een Camer die weynich te vooren was ghevonden in Palazzo maggiore, die al met natuerlijck Zee-tuygh en stucco aerdigh gheciert was, en ginghse in Const verre te boven, soo wel waren gedaen zijn gedierten, Zee-hoorens, en schulpen, en oneyndlijcke sulcke dingen, die hy daer maeckte. Hier nae maecte hy noch een Fonteyn, maer wildt, in de hollicheyt van een Rootse midden eenen Bosch, doende t'water vallen met fraeyer Const langs keghel-steenen, die men vindt daer natuerlijcke watervallen de steenen ghesleten hebben, gelijckende kegelen, die aen de Huysen s'winters hangen, dat het natuerlijck een woeste plaetse geleeck te wesen. Boven op dese ghefigureerde Rootse stelde hy een groot Leeuws hooft, bewassen met veel woeste moy cruyden: dit stondt ongelooflijck wel. Dit ghedaen, gaf den Cardinael hem een Cavallierschap van S. Pieters, en schickte hem nae Florencen. Hier maeckte hy in

[fol. 145r] origineel

stucco en anders veel fraeyicheyt, welck de Florentijnsche Schilders meer beviel als sy't presen, oft misschien blint in hun eygen quellijcke swaer maniere, sagent niet dan met te weynich oordeel oft gunst. Ioan weder te Room ghecomen, maeckte tot Augustijn Gigi in d'omloopen, aen de stucken in't welfsel, die wel gedaen festonen, die men daer siet, makende elcken op zijn verscheyden faysoen, van bloemen, vruchten, en bladen, so levende, datse daer aen den muer vast gemaeckt schijnen te hangen. Daer sietmen alderley goet van haver, oock vlier en venckel bloemen, dat het te verwonderen is, hoe zijn constighe handt de natuere hier heeft naghebootst, en met doode verwen in schoonheyt levendich doen schijnen. Boven de figuere van eenen Mercurius die vlieght, heeft hy uytgebeelt Priapus met een Cauwoerde, en een geborsten Vijge, een boeverije, die daer breeder te sien is, als ick begheer te vertellen. Boven desen zijn daer Kinderkens en Dieren, die seer schoon zijn: maer onder ander eenen Leeuw, en Zeepeerdt van onder te sien, gheacht schier boven de natuere. Hier nae in't Casteel S. Angelo, en in't Paleys dede hy veel fraeyicheyt. Hier nae is hem zijnen lieven Raphael ontstorven, tot zijn groote droefheyt, oock Paus Leo, nae wien quam Paus Adrianus: doe onderhiel hem Ioan met eenigh cleen werck, en vertrock om de Pest van Room nae zijn Vaderlandt Vdine. maer Paus Clement ghecoren zijnde, keerde hy weder, en maeckte tot de Crooninge verscheyden dingen van triumphelijcke toebereydinge: en daer naer met Pierijn del Vaga een schoon comparteringhe van stucco, aen t'welfsel van d'oude sale: hier maeckte Ioan fraey grotissen en gedierten. Hier nae wert Room berooft: oock Ioan, die veel gheleden hebbende, weder vloodt nae Vdine. en teghen zijn voornemen most (ontboden wesende) te Room weder keeren, voor den Paus Clement som dinghen doende: doe worde t'Officie van Piombo, dat hy beter verdiende, Sebastiaen van Venetien gegheven, en Ioan hier van een Pensioen van tachtentich Ducaten van de Camer. Ioan worde weder van den Paus nae Florencen ghesonden, alwaer hy eenighe dingen doende, verstondt den doot van Paus Clement: daer viel hem alle hope van zijn belooninge, wel bevindende, hoe ydel het is te hopen op t'leven van Princen, en hoe wanckelbaer de Hofsche dingen zijn. Doch al hadde hy moghen leven op zijn Officien en Incomsten, en Cardinael Hippolito de Medri dienen, en den nieuwen Paus Paulus de 3e. so besloot hy te trecken nae Vdine, t'welck hy dede, en hiel hem by zijnen Broeder, dien hy t'Canoninckschap hadde gegheven, met voornemen, gheen Pinceelen meer te handelen. Doch also hy Huysvrouwe en kinderen gecreegh, keerde weder tot de verlaten Pinceelen, en maeckte daer en ontrent zijn Stadt verscheyden wercken. Eyndelijck, Ao. 1550. quam hy te Room als Pilgrim gecleedt, in geselschap van slecht volck, om doen zijn devotie, en wort bekent buyten de poorte gaende nae S. Pauwels, van Giorgio Vasari, die oock derwaerts in coerse quam: en hadde hem geern onbekent gehouden, hadde hy Vasari niet behoeft, om crijgen door hem zijn pensioen van Piombo, dat hem na de doot van Sebastiaen was geweygert van Guglielmo Beeltsnijder van Genua, die dat Officie hadde, daer hem Vasari aen den Paus weder aen hielp, en dede hem nae meer vrientschap comen te Room, in den dienst van Paus Pius de 4e. met goet pensioen, daer hy onder ander voor retocqueerde de grotissen op de Logie, door cleen verstandt van den Paus, want sy werden meer verarghert als verbetert. Also in zijn jeught Ioan op jagen en vogelen ghewent was, soo

[fol. 145v] origineel

volherde hy altijt, so lange als hy noch wel te voet was, en liep veel tijts des heyligh daegs wel thien mijlen buyten Room met eenen Iongen: en want hy met het Roer en Cluytboge seer wel con omgaen, schoot hy so veel wilde Duyven, en in de marassen so veel wilde Gansen, en ander water-vogels, dat den Iongen ghenoech hadde te dragen. Men seght, dat hy was Inventeur van de gheschilderde Koe van linwaedt, daer men het wildt mede schiet. Hy hiel en voedde, om der Iaght wille, altijt Honden op. Als hy zijn voorighe grotissen (als verhaelt is) hadde gheretocqueert, starf hy Ao. 1564. oudt 70. Iaer, en werdt begraven nae zijn begeerte by Raphael.