terug  begin  verderprepost
[p. 47]

Een der zoveelste bouwstenen tot...
Herinnering aan Hanna Kahan (22 januari 1982)

Toen ik in april 1932 als importeur van Nederlandse boeken in Brussel begon, na gedurende anderhalf jaar bij uitgever Stols het vak (in casu) te weinig te hebben geleerd, ging ik dadelijk op pad, dat wil zeggen dat ik de boekverkopers uit het Vlaamse land bezocht met een aanbieding waar men niet naar huis over kon schrijven, namelijk Stols en Boosten & Stols, althans wat de verkoopwaarde op de Vlaamse markt betreft. Maar langzamerhand begon ik ook andere Nederlandse fondsen te importeren en, een jaar later, in samenwerking met Meulenhoff & Co Amsterdam, Duitse en Engelse boeken: alle grote Duitse schrijvers van toen, Thomas en Heinrich Mann, Stefan en Arnold Zweig, Lion Feuchtwanger, Jacob Wassermann, Hans Fallada, Erich Kästner, Klabund, de Insel-Bücherei, Hamann Kunstgeschichte en de voor die tijd erg goedkope Phaidon-kunstuitgaven. Uit Engeland waren het vooral de deeltjes uit de Albatros-reeks.

 

In de Pelikaanstraat in Antwerpen ging ik bij boekhandel Kahan op aanbieding en, in tegenstelling tot bij de andere boekverkopers uit de Vlaamse provincies (waar ik, eenentwintig jaar jong meisje met een Hollands-Frans accent, nogal modieus gekleed, - nog steeds de ijdeltuit - en met zorgvuldig geëpileerde wenkbrauwen, de mode van toen, als de afgezante van de duivel werd ontvangen en na mijn bezoek in de achterkeuken heel wat commentaar zal hebben uitgelokt), oef... wat een tussenzin!, dus bij Kahan was er dadelijk een zeer persoonlijk contact. Heel gauw werd ik er vaak verzocht om twaalf-uur aan tafel mee te eten.

Vader en zoon Bernard, de hoed op het hoofd, aan de ene kant van de eettafel en ik aan de andere kant. Moeder zat nooit mee aan tafel maar liet ons genieten van haar heerlijke joodse kookkunst, snoekbaars, zelf klaargemaakte zoete augurkjes, kaas en matzes. Wél raapte ze heel zorgvuldig alle kruimels van de tafel op.

In Brussel leerde ik hun dochter Hanna kennen die, na een tijdje

[p. 48]

in de Antwerpse zaak te hebben gewerkt, een boekhandel in de Bergstraat had geopend: Librairie Cosmopolis, de enige boekhandel in Brussel waar men buitenlandse boeken kon kopen. Later kwam haar jongere zuster Bekkie (Rebecca) er ook werken.

Broer Bernard trouwde in Antwerpen met de zuster van Harry Klagsbald, een intelligente en belezen joodse jongen die met alle Vlaamse schrijvers van toen erg bevriend was, onder meer Felix Timmermans, Emmanuel De Bom en de jongere Maurice Gilliams.

Toen mijn zaakje wat belangrijker was geworden en ik meer op kantoor moest blijven, stelde ik deze Harry Klagsbald als mijn vertegenwoordiger aan. Rond 1935 nam hij het aanbiedingswerk van me over en bleef het doen, tot het moment dat hij, in 1942, de gele ster moest dragen en zich nog moeilijk verplaatsen kon. Invitus invitam demissit, of eerder andersom! Enige tijd later werd hij naar een Duits kz vervoerd en stierf tijdens de oorlog in Dachau.

Hanna en Bekkie waren meer dan zakenrelaties, we waren goede vriendinnen geworden en we dronken samen heel wat glazen thee (op zijn Russisch) en er werd ook te veel ‘genascht’ op zijn Jiddisch. Hanna trouwde met de diamanthandelaar Jacques Goldstein en kreeg een dochter, Denise, maar haar huwelijk was van korte duur. Ik trouwde in 1936 met mijn vroegere taalleraar op het Atheneum in Dinant, François Closset.

De echte Brusselse intelligentsia, niet degene die uitsluitend naar Parijs luistert, was trouwe klant van de Librairie Cosmopolis, die na een tijdje naar een ruimere winkel verhuisde, in de Arenbergstraat, vlak naast het kantoor waar ik van 1933 tot mijn huwelijk in 1936 werkte en woonde.

Hanna was, evenals ik, een meisje dat steeds tussen boeken had geleefd. Ze las, en sprak ook, Frans, Nederlands, Engels, Duits, Jiddisch en zelfs Hebreeuws, want vader Kahan was een ‘fijne’ jood, die bijvoorbeeld nooit de hand van een vrouw - en dus ook mijn hand - drukte. Hanna was evenmin als ik huishoudelijk aangelegd: ze las boeken, praatte over boeken, verkocht boeken en hield zich op de hoogte van boeken. Ze was een geweldige bron van inlichtingen voor haar klanten uit Brussel en de provincie. Een van die klanten was een arts, uit Virton afkomstig, die in de Afrikaanse binnenlanden zijn vak met toewijding

[p. 49]

uitoefende. Een zeer belezen man naar wie ze geregeld pakken boeken, door haarzelf voor hem gekozen, stuurde. Bij elk verblijf in Europa kwam hij bij haar zijn cultuur op peil houden. Toen de Tweede Wereldoorlog begon, was hij toevallig in Europa, hij keerde niet naar Belgisch-Kongo terug, trouwde met de inmiddels gescheiden Hanna, en wist zodoende, goj zijnde, moeder en dochter uit de handen van de bezetter te redden. Ook de ouders van Hanna konden dankzij hem onderduiken, terwijl zoon Bernard en zijn vrouw Paula eerst bij mij in Brussel terechtkwamen, voordat ik ze per trein naar een onderduikadres in de Ardennen kon begeleiden. Een deel van hun bezit (juwelen en dergelijke) kreeg ik in bewaring.

Mijn man, uit Herstal afkomstig, en dokter Muller, beiden bezeten van buitenlandse literatuur, werden goede vrienden en we brachten vaak hele avonden samen door, maar het onderwerp van de gesprekken was veel meer het oorlogsgebeuren en de politieke vooruitzichten voor Europa dan de letteren.

 

De drukke naoorlogse tijd heeft ons van elkaar verwijderd. Hanna werd doktersvrouw en - steeds meer - ‘moeder’ van een bijzonder intelligent meisje waar stiefvader Muller een grote invloed op uitoefende.

 

Ik werd, importeur, steeds meer uitgever én importeur, met daarbij een groeiende aandacht voor de Noord-Nederlandse markt, zodat we elkaar niet meer zagen. Maar toen ik opnieuw in België kwam wonen, zocht ik contact eerst met Bernard, die een vroeg oud joods mannetje was geworden, steeds meer op zijn vader leek, nog steeds, met de hoed op het hoofd, heel ver achter in een donkere, verwaarloosde Antwerpse boekwinkel zat, in een steeds meer vervallen joodse buurt, een wijk waar je de angst voelt trillen, in zijn winkel vol merkwaardige judaïca. Elk jaar was zijn mooiste tijd met een chartervlucht naar Israël te gaan en er met zijn vrouw zo lang als het kon te verblijven. Ze namen het me haast kwalijk dat ik nooit in Israël, wél in Libanon en Syrië, was geweest.

Een jaar geleden werd ik weer voor een etentje bij hen uitgenodigd: weer hetzelfde koosjer eten, maar nu met een fles koosjere zoete witte wijn uit Israël en Paula, vrouw van Bernard en zuster van de betreurde Harry, zat nu ook mee aan tafel. Aan de

[p. 50]

wanden van hun eenvoudig appartement, eveneens in de Pelikaanstraat, hingen prachtige etsen en tekeningen van James Ensor, schilderijen van Permeke en Masereel en ook veel werk van joodse kunstenaars als Mane Katz. Op een zondag in de zomer kwamen ze me in Gooik bezoeken en voor die gelegenheid had ik, volgens voorschriften van Hanna, een koosjere maaltijd klaargemaakt.

Dokter Muller was inmiddels overleden maar Hanna woonde nog steeds in het zeer goed onderhouden doktershuis aan het Moricharplein waarvan dochter Denise, ongetrouwd (een taalwonder die bij de eeg werkzaam is), de eerste en de tweede verdieping betrekt.

Bij het weerzien stelde ik vast dat Hanna even levenslustig en belangstellend was gebleven als voorheen, ze hield zich nog steeds goed op de hoogte, las veel, luisterde naar goede radio-uitzendingen en bezocht nog steeds bioscopen en concertzalen. Ik was echter ongerust toen ze me vertelde dat een van haar oogleden - inderdaad nogal rood aangestoken - bestraald moest worden. Ze moest steeds vaker naar het Bordet-instituut. Ik was juist van plan haar deze week boeken terug te brengen die ik van haar had geleend en vanochtend, onder de post, vond ik een gedrukt kaartje meldende de dood en de crematie dans la plus stricte intimité van Hanna Muller, met onderaan met de pen geschreven: A la demande de Paula Kahan, ne pas faire connaître à Bernard le décès de sa soeur.

She is so eager, dacht ik wanneer ik haar na een paar uur praten verliet en ze steeds vond dat ik niet lang genoeg bleef. Zal ik nu tegen de muren moeten praten? De wereld is zo leeg geworden. Mijn laatste levensteken aan haar was een knipsel uit Le Monde, met een artikel over David Shahar, le conteur de Jérusalem, de Hebreeuwse romanschrijver die terecht met Marcel Proust wordt vergeleken.

Ik zocht elke gelegenheid om haar het vele dat ik van haar had ontvangen, terug te geven. Hoe zij, in de jaren dertig, aan Amerikaanse boeken kwam, heb ik nooit geweten (misschien waren het Engelse coproducties) maar dankzij haar ontdekte ik toen al de dikke pillen van John Steinbeck en Thomas Wolfe, een openbaring na de naturalistische boeken van Dreiser en Dos Passos. Op mijn werktafel lag nu voor haar gereed een knipsel over haar (voor)naamgeoot Hanah Arendt en haar onvoltooid wijsgerig

[p. 51]

werk dat door Mary McCarthy (l'ennemie intime de John Steinbeck) werd geredigeerd.

 

Een vrouw die een belangrijke rol heeft gespeeld in mijn leven en ongetwijfeld ook in het leven van vele anderen, is, in alle stilte, heengegaan en niemand weet het... en niemand mag het weten.

prepostterug  begin  verder