Het verheugt me dat de twee sprekers die me voorafgingen en dat de auteur die we straks zullen huldigen, romanschrijvers zijn. Adriaan van der Veen is de auteur van een twintigtal hooggewaardeerde en veelgelezen romans en verhalenbundels.
Bert Vanheste debuteerde onlangs onder eigen naam met de roman Eeuwig en drie dagen, een werk dat zowel door Paul de Wispelaere als door Jooris van Hulle zeer lovend werd besproken.
Over de derde romanschrijver, Gerard Walschap, hoef ik hier niet uit te weiden. Hij heeft de Nederlandse letteren verrijkt met een omvangrijk oeuvre. Ik ben er nog steeds trots op dat hij, in 1941, me de uitgave van de oorspronkelijke editie van De wereld van Soo Moereman toevertrouwde.
De literaire roman is niet dood, al wordt dat wel eens beweerd. De belangstelling voor en de verspreiding van hoogstaand letterkundig werk groeien en ik zie dus de toekomst van de jubilerende uitgeverij met vertrouwen tegemoet. Laat dit een geruststelling wezen voor René Malherbe, voorzitter van onze Raad van Bestuur.
Erkentelijk en trots ben ik om vanavond met u allen het verschijnen - 50 jaar geleden - van de eerste uitgaven onder imprint Manteau te herdenken. Maar de broederschap - en de zusterschap - van het boek zijn hier aanwezig om niet alleen het vijftigjarig bedrijf, maar vooral de negentigjarige schrijver te vieren. In tegenstelling tot een schrijver die in volstrekte eenzaamheid, uit pen, papier en luttele woorden een wereld weet te scheppen, ontstaat en groeit het werk van een uitgever in samenwerkingsverband. Ik ben blij vanavond de gelegenheid te krijgen om al degenen te danken die me, langs een vaak moeizame weg, met raad en daad hebben gesteund. Mag ik er enkelen noemen? Eerst en vooral mijn vader, Georges Manteau, geboren in 1871, die, toen ik de klassieke humaniora achter de rug had, me niets in de weg heeft gelegd om in Brussel te gaan studeren, mijn studierichting te bepalen en een ‘kot’ te zoeken, terwijl ik am-
per 17 jaar jong was. Twee jaar nadien ging ik als manusje-vanalles werken bij een tijdelijk in Brussel gevestigde Nederlandse uitgever en in 1932 stichtte ik een importboekhandel. Ik heb altijd geweten dat ik, ondanks mijn eigenzinnige handel en wandel, het volle vertrouwen van mijn vader genoot.
Een tweede, mijn man, François Closset, geboren in 1900. Wij trouwden in april 1936. Nooit heeft hij er bezwaar tegen gehad dat ik als zelfstandige zakenvrouw bleef optreden en hiervoor mijn meisjesnaam behield.
In mijn dankbaarheid komen nu twee Hollandse uitgevers aan de beurt. Eerst A.A.M. Stols, bij wie ik in de leer kwam. Hij was een veeleisende uitgever die zich zowel om de inhoud als om de typografische uitvoering van zijn uitgaven bekommerde. Begin 1932, toen de gevolgen van de financieel-economische krach van oktober 1929 zich lieten voelen, besloot Stols naar Holland terug te keren. Zonder aarzeling ging hij op mijn voorstel in om zijn Brussels kantoor over te nemen en de verkoop van zijn fonds in Vlaanderen te behartigen, wat de basis is geweest van de importhandel in Nederlandse en later Duitse en Engelse boeken die ik op eenentwintigjarige leeftijd oprichtte.
De grootste blijk van vertrouwen ondervond ik echter van mr. R. Leopold, de vijfendertigjarige directeur van de Haagse uitgeverij Leopold en van het opinieweekblad de Haagse Post. Nadat ik tijdens een viertal jaren zijn uitgaven en ook de Haagse Post in Vlaanderen had geïmporteerd, stelde hij mij met zijn financiële steun in staat een uitgeverij op te richten. De eerste boeken werden in het najaar van 1938 in de handel gebracht en twee maanden later verscheen het eerste nummer van het literair maandschrift: voor jongeren, Werk, waar Adriaan van der Veen uitvoeriger over gesproken heeft.
In mijn dankbaarheid wil ik ook drie Vlaamse uitgevers betrekken die niet geaarzeld hebben mij als volwaardig lid te aanvaarden van de zojuist opgerichte vakgroep, de Vereniging ter Bevordering van het Vlaamse Boekwezen. Het waren Leo J. Krijn, directeur van Onze Tijd, Maurits de Meyer, directeur van Standaard Boekhandel, en Eugeen de Bock, stichter van De Sikkel. De steun die ik van hen kreeg, is niet onder woorden te brengen.
Maar indien de uitgeverij en importhandel langzamerhand enige bekendheid kregen, is dat meer te danken aan de typisten, facturisten, redacteurs, vertegenwoordigers en inpakkers die me
met toewijding hebben bijgestaan, niet als werknemers, maar als medewerkers.
Dankbaar ben ik ook de Vlaamse boekhandelaren die onze uitgaven hielpen verspreiden, de recensenten, critici en literatuurhistorici die aandacht schonken aan onze boeken en de bibliothecarissen die ze binnen bereik brachten van de lezers uit Noord en Zuid.
Maar ten slotte dank ik vooral de vele auteurs die de onontbeerlijke basis vormen voor de opbouw en de verdere ontwikkeling van een fonds, waarin elke generatie, tot de allerjongste toe, vertegenwoordigd is en die nu hun vertrouwen schenken aan onze uitgeefdirecteur Lionel Deflo.
Ik zou al die auteurs willen noemen en danken, maar aangezien Gerard Walschap straks door onze trouwe vriend prof. dr. Ludo Simons zal worden toegesproken, vraag ik u in deze huldiging tevens een hulde te zien aan de vele auteurs uit het fonds.
Als atheneumstudente droomde ik vaak dat ik schrijfster zou worden, moeilijke, dikke boeken zou schrijven naar de mate van mijn intellectuele aspiraties.
Gretig - en toch met enige afgunst - heb ik, vanaf mijn dertiende jaar, de literaire productie verslonden die de stadsbibliotheek me kon verschaffen, alsook de Engelse en Duitse boeken die de leraar Duits en Engels - die later mijn echtgenoot zou worden - me leende.
Helaas achtte ik me niet in staat het spoor te volgen van de auteurs die ik zozeer bewonderde, maar die ik niet te evenaren achtte. Twijfel remde me. De taal scheen me te ontglippen. Wat ik wél had gekund, echter zonder geestdrift en veeleer met tegenzin, was - rechttoe rechtaan - over het wel en wee van een leven in het teken van het boek schrijven. Maar mijn persoonlijke voorkeur gaat naar boeken met ingewikkelde structuren.
Van schrijven is er dus nooit iets terechtgekomen - al heb ik massa's aantekeningen en dagboekbladen. Daarbij nam het uitgeven en verspreiden van werk van anderen me steeds meer in beslag.
Ik ben blij en trots over deze dienende functie, want het heeft me in de gelegenheid gesteld het ontstaan van menig literair oeuvre van dichtbij te volgen. Een boeiende bezigheid! Mijn laatste dankbaarheidsbetuiging gaat ten slotte naar u allen die hier vanavond aanwezig bent.