terug  begin  prepost
[p. 117]

Enkele citaten uit radio-, TV- en kranteninterviews

[p. 119]
Ik heb het, alles welbeschouwd, toch zeer verrijkend gevonden om contact te hebben met zoveel auteurs. Ik zou haast durven zeggen: slechts Guido Gezelle en Multatuli heb ik niet gekend. Dat is wat je te danken hebt aan het feit dat je hoogbejaard bent. Vanaf de generatie van Van Nu en Straks tot vandaag zijn al die auteurs kennissen, of vaak heel goede vrienden.’

radio-interview met
Betty Mellaerts
1986

-----

Uitgeven of schrijven of schilderen of alles wat enigszins - om een modewoord te gebruiken - creatief is, daar hou je niet mee op op de dag dat je vijfenzestig bent. Nee, je blijft wroeten, steeds met het gevoel dat je nog heel veel fouten maakt, dat je nog heel veel kunt leren, maar dat het zo boeiend blijft dat je het iemand anders niet gunt.’

radio-interview met
Thomas Rap
1985

-----

Oud? Ik hou niet van dat woord. Ik voel me niet oud. Het spijt me zeer. Misschien zie ik er zo uit. Ik zit nog vol plannen. Als u wist wat ik nog allemaal wil doen en moet doen.’

radio-interview met
Pat Donnez
1999

-----

Rimbaud dichtte dat je met zeventien onmogelijk serieus kunt zijn. Ik heb een leeftijd bereikt waarop jezelf serieus nemen nog meer misplaatst is.’

kranteninterview met
Johan Anthierens
1988

-----

[p. 120]
Over de moorddadige wraakactie van de Duitsers in Dinant op 23 augustus 1914:

Dat vermoorden van bijna zevenhonderd mensen in een stadje met een bevolking van vierduizend. Dat verbranden van alle huizen, terwijl wij, de vrouwen en kinderen, daartussen in een stoet moesten lopen met alle gevaren van instortende muren en vonken, totdat wij de gevangenis bereikten... En er waren natuurlijk gekwetsten onder ons... Dat kan ik niet vergeten.

Het is mede de reden waarom ik bijvoorbeeld geen tv heb. Ik heb er wel een gehad in de tijd van de oorlog in Vietnam. Ik zag steeds die afschuwelijke scènes waar kinderen bij betrokken waren. Ik kon niet vermijden te denken: “Hoe zullen die kinderen dat verwerken? Hoe zullen ze het overleven? Wat zal er van die kinderen worden?”

Ik werd toch zo moe van ernaar te kijken en van die angst die steeds terugkeerde, dat ik op een zekere dag tegen iemand die iets kwam repareren, heb gezegd: “Man, pak dat toestel.” Hij kon het niet geloven. Het was de dag van zijn leven. En voor mij ook.’

radio-interview met
Johan Anthierens
1986

-----

Waarschijnlijk heb ik aan de gebeurtenissen van augustus 1914 een afschuwelijk syndroom overgehouden. Misschien is mijn vak mijn genezing geweest.’

radio-interview met
Frank van der Linden
1998

-----

[p. 121]
Onmiddellijk toen ik in 1942 De voorstad groeit van Louis Paul Boon in handen kreeg, viel het me op. Dat kon niet anders. Niet dat de taal zuiver was. Maar hij had een vaart. Hij kon vertellen. Hij had iets te zeggen. Het was iets merkwaardigs, heel wat anders dan wat ik ooit had meegemaakt.’

radio-interview met
Johan Anthierens
1986

-----

In de collaboratiebladen werden de boeken die ik uitgaf, werkelijk met de grond gelijk gemaakt. “Decadent.” Het enige wat ze ons toewensten, was bomen gaan hakken en steen gaan kappen langs de wegen en de auteurs en hun raadgevers op een brandstapel met hun slechte boeken. In de fik.
Ik heb er mij nooit zorgen over gemaakt. Het waren woorden.’

radio-interview met
Johan Anthierens
1986

-----

Het probleem met Louis Paul Boon, dat waren niet de Duitsers. Ze ignoreerden dat, ze moesten oorlog voeren. Het probleem was het katholieke Vlaanderen. Het was een moeilijke tijd, want ik had hem zo gaarne een grotere bekendheid willen geven. Ik had hem zo gaarne flink willen verkopen, want hij had het nodig. Maar Vlaanderen reageerde zeer afzijdig. Vlaanderen was er nog niet rijp voor.’

radio-interview met
Pat Donnez
1999

-----

[p. 122]
Boon kreeg van de katholieke boekerijen een slechte quotering. Hij mocht dus niet in de bibliotheken liggen en meestal ook niet in de etalages van de boekhandels, want er werd onmiddellijk protest tegen aangetekend door een of andere voorbijganger. Het was moeilijk om hem in Vlaanderen aan een publiek te helpen. Maar ik ben hem trouw gebleven.
Ook na de oorlog kon ik zijn boeken in Vlaanderen niet verkopen en niet naar Nederland uitvoeren wegens de beperkende maatregelen van de Nederlandse regering.
Het was geen gemakkelijke taak hem uit te geven. Ik bleef zitten met al die boeken. Nu zijn ze antiquarisch heel veel waard. Is dat een troost, misschien?’

radio-interview met
Betty Mellaerts
1988

-----

[p. 123]
Ik ben geen Vlaamse. Dat ik het Vlaams gekozen heb, is een puur toeval, omdat ik in een Nederlands milieu ben terechtgekomen tijdens mijn studie aan de universiteit en daar heel wat - eveneens door een puur toeval - Nederlandse shrijvers leerde kennen en enkele Vlamingen.’

radio-interview met
Betty Mellaerts
1988

-----

Dans les milieux que je fréquentais, je n'ai jamais rencontré la moindre hostilité. Nullement. On trouvait, je crois, très sympathique qu'une wallonne s'était donnée la peine - du moins, c'est ce qu'on pensait, or chez moi c'est venu prèsque naturellement - d'apprendre le néerlandais. Il faut dire que j'ai le bonheur d'apprendre aisément une langue étrangère. Je suis une éponge de ce point de vue là.

Ou bien était-ce naïveté de ma part? Et il y a aussi un certain aveuglement. Quand on a décidé de faire quelque chose, on continue malgré tout. On fonce.’

radio-interview met
Jean-Pol Hecq
1986

-----

[p. 124]
Ik ben niet feministisch. Ik vind het een schijnprobleem. Ik vind het een schande dat men bij de verkiezingen eist dat een derde van de kandidaten op de lijst vrouwen zijn. Dat is discriminerend voor de vrouwen.

Ik heb nooit het gevoel gehad dat ik achteruit gesteld werd doordat ik een vrouw was. Soms denk ik dat het zelfs een voordeel is geweest. Een uitzondering, natuurlijk, maar toch.’

radio-interview met
Pat Donnez
1999

-----

[p. 125]
Om een goed schrijver te zijn mag je niet twijfelen. En ik heb het gevoel dat ik achter elk woord dat ik op papier zet, eerst een groot vraagteken plaats. Als je wist, voor een stukje van niks, wat voor zoekwerk ik verricht, uit angst dat het niet juist zou zijn. Ook in mijn formulering. Ik ben altijd bang geweest. Dus, stel je voor dat ik zou beginnen aan een heel boek.’

radio-interview met
Thomas Rap
1985

-----

Men kan altijd dromen van wat anders. Toen ik jong was en in Brussel kwam, was ik zo geboeid door alles wat er gebeurde in het net geopende Paleis voor Schone Kunsten, dat ik me geroepen voelde om schilder of balletdanseres of god weet wat te worden. Want er gebeurde daar altijd iets. Het waren merkwaardige jaren. Maar ja, ik had een uitgeverij.’

radio-interview met
Betty Mellaerts
1988

-----

[p. 126]
Om een of andere reden wordt er kunstmatig een scherpe scheiding tussen Nederlanders en Vlamingen in stand gehouden. Ik zou nog willen meemaken dat daar eens een einde aan komt.

Er bestaat tegenover Vlaamse auteurs die niet in een Nederlands fonds zitten, nog al te dikwijls een volkomen ongemotiveerde achterdocht. De Nederlanders realiseren zich nauwelijks dat de generatie die nu in Vlaanderen aan het woord is, een van de eerste is die in haar eigen taal opgevoed werd en er toch reeds in slaagde zich verantwoord uit te drukken en een volwaardige culturele bagage te verwerven. En dat dan nog in een tijd die toch al zo ontzaglijk snel evolueert.’

kranteninterview met
Fernand Auwera
1968

-----

De verhouding Vlaanderen-Nederland wordt er niet beter op, helaas. Wij hebben veel illusies gehad. Ik meende na de Tweede Wereldoorlog dat heel Nederland stond te wachten op de Vlaamse auteurs die ik ontdekt had. Dat was helemaal niet waar. In Nederland werd gevreesd dat een te sterke Vlaamse uitgeverij ook een te sterke concurrent zou worden, niet alleen op de Vlaamse, maar zelfs op de Nederlandse markt.

De Vlaamse uitgevers zijn dus niet verwend geweest. Het heeft na de oorlog nog vijf jaar geduurd voordat we daar enigszins voet aan wal konden krijgen. Er is dan een tijdje een zekere belangstelling geweest.Was het menens of geveinsd? Ik kan het niet zeggen.

Nu is er werkelijk een soort misprijzen voor wat hier tot stand gebracht wordt. Ik snap het niet.Wij zijn met achttien miljoen.Wij spreken dezelfde taal. Maar we kunnen niet samenwerken. In Europa zullen we de boot missen, vrees ik, indien we niet tot een degelijke samenwerking kunnen komen.’

radio-interview met
Karin Strobbe
1991

-----

[p. 127]
Men maakt zich nu zoveel zorgen over mijn archief. Maar dat is een glas water in een oceaan. Maar weet u dat er in Holland honderdduizenden brieven en stukken van Vlaamse schrijvers zullen blijven, eeuwig lang, doordat onze Vlaamse schrijvers bij voorkeur, van Hugo Claus tot Tom Lanoye, in Nederland worden uitgegeven?’

(een debat met minister van Cultuur Luc Martens naar aanleiding van de beslissing van Angèle Manteau om haar archief van de periode 1971 tot 1988, met in hoofdzaak brieven van Nederlandse auteurs uit haar Elsevier/Amsterdam-tijd, te schenken aan de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag)

tv-interview in De Zevende Dag met
Chantal Pattyn
1998

-----

[p. 128]
Uitgeven is kiezen. Maar welke zijn de maatstaven om een bepaald manuscript wel te kiezen en het andere naar de auteur terug te sturen? Dat is niet met woorden te beschrijven. Het is een aanvoelen. Wikken en wegen. En het is vaak een groot probleem, want niet alle manuscripten zijn bij een eerste lectuur zo rijp dat je onmiddellijk ja kunt zeggen.’

radio-interview met
Betty Mellaerts
1988

-----

Er zijn in het boekenvak historische vergissingen te citeren. Gallimard heeft Proust geweigerd. Querido heeft het Dagboek van Anne Frank niet aanvaard. Nijgh heeft Ik, Jan Cremer afgewezen en er zijn er zeker nog meer. Ik zal ook wel fouten begaan hebben. Als het gebeurt, vind ik het beter dat ikzelf het boek geweigerd heb, want je moet ook voor je vergissingen instaan.’

tv-interview met
Joos Florquin
1967

-----

Je weet toch wel dat de resultaten en de financiële problemen een grote rol spelen in de evolutie van een uitgeverij? Dat je heel wat projecten moet laten varen, omdat je ze niet tot stand kunt brengen? Dat wordt vergeten in de geschiedenis van de literatuur.’

radio-interview met
Thomas Rap
1985

-----

Ik zou geen uitgever geworden zijn, indien ik geen optimist was geweest.’

tv-interview met
Ivo Belet
1992

-----

prepostterug  begin