[p. 239]
WILHELMUS LIED.
[p. 241]
WILHELMUS (1) . (1568 OF 1569.)
- Wilhelmus van Nassouwe,
- Ben ick van Duytschen bloet,
- Den vaderlant ghetrouwe
- Blijf ick tot inden doedt.
- Een prince van Orangiën
- Ben ick vrij onverveert,
- Den coninck van Hispaengiën
- Heb ick altijt gheëert.
-
- In Godes vrees te leven
- Heb ick altijt betracht,
- Daerom ben ick verdreven,
- Om landt, om luyd'ghebracht:
- Maer Godt zal my regeren
- Als een goet instrument,
- Dat ick sal wederkeeren
- In mijnen regiment.
-
|
(1) Dit bekende, eenvoudige en treffende lied werd waarschijnlijk in het laast van 1568, of den aanvang van 1569, door Filips van Marnix, gemaakt; de redenen die het aan dezen als dichter doen toeschrijven, vindt men wijdloopig by Schotel, Gedachten over het Wilh. van Nass. 1834, beknoptelijk en nog nader aangedrongen bij Broes, Filips van Marnix, II. I. bl. 182 vv. - ‘Erst voor troostlied gezongen, werd het, van de erstvolgende jaren aan, opwekkingslied en krijgsmarsch.’ (Broes.) Men zong het oorspronkelijk op de wijs van Charles, een lied op Karel V, in het oorspronkelijk duitsch uitgegeven in Goerres, Altteutsche Volks-u. Meisterlieder. S. 279 (Van Vlotens aanm. Nederl. geschiedz. l. bl. 365).
|
[p. 242]
-
- Lijdt u mijn ondersaten,
- Die oprecht zijn van aert,
- God zal u niet verlaten
- Al zijt ghij nu beswaert;
- Die vroom begheert te leven,
- Bidt Godt, nacht ende dach,
- Dat hy my cracht wil gheven,
- Dat ick u helpen mach.
-
- Lijf en goet al te samen,
- Heb ick u niet verschoont,
- Mijn broeders, hooch van namen,
- Hebbent u oock vertoont:
- Graef Adolff is ghebleven
- In Vrieslandt, in den slach,
- Sijn siel, in 't eeuwich leven,
- Verwacht den jongsten dach.
-
- Edel - en Hooch - gheboren,
- Van Keyserlicken Stam,
- Een Vorst des Rijcks vercoren,
- Als een vroom christen-man,
- Voor Godes woort ghepreesen,
- Heb ick, vrij, onversaecht,
- Als een helt sonder vreesen,
- Mijn edel bloet ghewaecht.
-
- Mijn schilt ende betrouwen
- Sijt ghy, o Godt mijn Heer,
- Op u soo wil ick bouwen,
- Verlaet my nemmermeer;
- Dat ick doch vroom mach blijven,
- U dienaer taller stondt,
- Die tyranny verdrijven,
- Die my mijn hert doorwondt.
-
[p. 243]
-
- Van al die my beswaren,
- En mijn vervolghers zijn,
- Mijn Godt! wilt doch bewaren
- Den trouwen dienaer dijn:
- Dat sy my niet verrasschen
- In haren boosen moet,
- Haer handen niet en wasschen
- In mijn onschuldich bloet.
-
- Als David moeste vluchten
- Voor Saul den tyran,
- Soo heb ick moeten suchten
- Met menich edelman;
- Maer Godt heeft hem verheven,
- Verlost wt aller noot,
- Een coninckrijck ghegheven
- In Israël, seer groot.
-
- Na tsuer sal ick ontfanghen
- Van Godt, mijn Heer, dat soet;
- Daer na so doet verlanghen
- Mijn vorstelick ghemoet;
- Dat is, dat ick mach sterven
- Met eeren, in het velt,
- Een eewich rijck verwerven,
- Als een ghetrouwe helt.
-
- Niet doet my meer erbarmen
- In mijnen wederspoet,
- Dan datmen siet verarmen
- Des conincks landen goet.
- Dat u de Spaengiaerts crencken,
- O, edel Neerlandt soet!
- Als ick daer aen ghedencke,
- Mijn edel hert, dat bloet.
-
[p. 244]
-
- Als een prins, opgheseten,
- Met mijnes heyres cracht,
- Van den tyran vermeten
- Heb ick den slach verwacht,
- Die, by Maestricht begraven,
- Bevreesde mijn ghewelt; -
- Mijn ruyters sachmen draven
- Seer moedich door dat velt.
-
- Soo het den wil des Heeren
- Op die tijt had gheweest,
- Had ick gheern willen keeren
- Van u dit swaer tempeest:
- Maer de Heer van hier boven,
- Die alle dinck regeert,
- Diemen altijt moet loven,
- En heeftet niet begheert.
-
- Seer prinslick was ghedreven
- Mijn princelick ghemoet;
- Stantvastich is gebleven
- Mijn hert in teghenspoet;
- Den Heer heb ick ghebeden,
- Van mijnes herten gront,
- Dat hy mijn saeck wil reden,
- Mijn onschult doen oircont.
-
- Oorlof mijn arme schapen,
- Die zijt in grooten noit,
- U herder zal niet slapen,
- Al zijt ghy nu verstroit:
- Tot Godt wilt u begheven,
- Sijn heylsaem woort neemt aen,
- Als vrome christen leven,
- tSal hier haest zijn ghedaen.
-
[p. 245]
-
- Voor Godt wil ick belijden
- En zijner grooter macht,
- Dat ick tot gheenen tijden
- Den coninck heb veracht:
- Dan dat ick Godt den Heere,
- Der hoogster Majesteyt,
- Heb moeten obediëren
- In der gherechticheyt.
|