terug  begin  verderprepost
[p. 35]

Hoofdstuk 2
Economische macht en politiek: het Antwerpse stadsbestuur

[p. 36]



illustratie
Het nieuwe stadhuis van Antwerpen, 1565, symbool van politieke macht. Ingekleurde ets; Antwerpen: Melchisedech van Hooren, 1565. (Wenen, Graphische Sammlung Albertina)

[p. 37]

aant.

Met de bouw van een monumentaal stadhuis (1561-1565) wilden de Antwerpse stadsbestuurders de politieke macht van hun metropool duidelijk maken aan de buitenwereld. De talrijke beelden en figuren die in het imposante middenstuk aangebracht waren, symboliseerden als het ware een programma waarin de privileges van de stad en de plichten van de vorst benadrukt werden.1 Niet toevallig zorgde de politieke actualiteit in de Nederlanden voor een toenemende spanning tussen de centrale regeringsmacht en de stedelijke autonomie. In 1567 kapittelde Maximiliaan Morillon, de vicaris-generaal van het aartsbisdom Mechelen, het vrijheidsstreven van de Antwerpenaars in niet mis te verstane bewoordingen: ‘Et seroit fort bien leur faire raser leur s.p.q.a. qu'ilz intitulent partout en leurs bastimentz et édifices, prétendantz républicque libre, et que le prince ne leur peult rien commander sans leur consentement.’2 Alvorens terug te komen op deze problematiek, wil ik eerst de formele structuur van en de reële machtsverhoudingen binnen het Antwerpse stadsbestuur nader toelichten.

Het stadsbestuur bestond uit vier geledingen: de magistraat, de oudschepenen, vier hoofdmannen en 26 wijkmeesters als vertegenwoordigers van de poorterij, en de dekens van de ambachten.3 Samen vormden zij de Brede Raad, die geacht werd het corpus of de generaliteit van de stad te vertegenwoordigen. De magistraat, ook wet of college van wethouders genoemd, was veruit het belangrijkste bestuursorganisme. Hij was verantwoordelijk voor het dagelijkse bestuur van de stad, zowel in politiek, administratief, gerechtelijk als financieel opzicht. Hij bestond uit twee burgemeesters, zestien (vanaf 1556 achttien) schepenen, twee tresoriers en een rentmeester. Tot het midden van de veertiende eeuw werden de schepenen aangesteld voor het leven. Een beperkt aantal stedelijke geslachten, die nauw verwant waren, bekleedden in de schepenbank een dominante positie, die zij door een systeem van interne coöptatie wisten te handhaven.

[p. 38]

Tabel 2.1: Frequentieverdeling van het totaal aantal mandaten van buitenburgemeester, schepen en tresorier-generaal, 1550-1566

N ambten N personen % personen N mandaten % mandaten
16 1 1,5 16 4,8
14 1 1,5 14 4,2
13 1 1,5 13 3,9
12 2 3,0 24 7,2
11 2 3,0 22 6,6
10 2 3,0 20 6,0
9 4 6,0 36 10,8
8 4 6,0 32 9,6
7 1 1,5 7 2,1
6 5 7,5 30 9,0
5 9 13,6 45 13,5
4 6 9,0 24 7,2
3 7 10,6 21 6,3
2 8 12,1 16 4,8
1 13 19,6 13 3,9
Tot.: 66   333  
Bron: saa, Pk., 1341; P. Génard ed., ‘Naamlijst der rentmeesters en tresoriers’.        

Vanaf 1356 werd de magistraat echter jaarlijks voor de helft vernieuwd. Bovendien waren reeds twee jaar eerder een aantal verboden graden van bloedverwantschap opgelegd. Zo mochten vader en zoon, grootvader en kleinzoon, en broers en neven niet samen in eenzelfde magistraat zetelen. Vanaf 1539 gebeurde de jaarlijkse vernieuwing op de derde zondag na Pasen. De landvoogd koos in overleg met de Geheime Raad de achttien schepenen uit een dubbele keuzelijst, die vanuit Antwerpen was opgestuurd. De keuzelijst bevatte, naast negen personen aangeduid door de vertegenwoordigers van de poorterij en negen kandidaten gekozen door de wet, ook de namen van de achttien dienstdoende schepenen. In de praktijk konden bijgevolg geen personen aangesteld worden die door de Antwerpse stadsbestuurders ongewenst waren. Op de dag van de magistraatsvernieuwing stuurde de landvoogd drie commissarissen naar Antwerpen die de keuze van de landvoogd bekendmaakten en de nodige eden afnamen. Daarop gingen de achttien schepenen over tot de keuze van de binnen- en de buitenburgemeester. De binnenburgemeester hield zich vooral bezig met juridische aangelegenheden, terwijl de buitenburgemeester de politieke en militaire belangen van de stad behartigde. Sedert 1549 stonden twee tre-

[p. 39]

aant.
soriers en een rentmeester, die in principe voor drie jaar werden aangesteld, in voor het financiële beleid van de stad.4

De sociale compositie en de reële machtsverhoudingen in de stadsmagistraat zijn bij gebrek aan een langetermijnonderzoek moeilijk te reconstrueren. Een beperkt prosopografisch onderzoek voor de periode 1550-1566, die de bestuurssituatie weerspiegelt die aan de Opstand voorafgaat, reveleert reeds een aantal interessante bevindingen. In de eerste plaats moeten we opmerken dat een belangrijk deel van de Antwerpse poorters, met name de ambachtslieden, niet in de stadsmagistraat vertegenwoordigd was. In vergelijking met naburige steden, waar aan de ambachten wel een vaste plaats was voorbehouden, was de Antwerpse stadsmagistraat structureel minder democratisch.5 Een belangrijke indicatie voor het machtswisselingsproces vormt de frequentieverdeling van het totaal aantal mandaten van buitenburgemeester, schepen en tresorier-generaal in de periode 1550-1566 (cf. tabel 2.1). In die periode waren er 333 mandaten van buitenburgemeester, schepen en tresorier-generaal, die bekleed werden door 66 verschillende personen. Dit betekent dat elke wethouder gedurende zeventien mandaatjaren gemiddeld vijf mandaten bekleedde. Vijf personen namen echter twintig percent van alle mandaten voor hun rekening, terwijl zeventien personen goed waren voor meer dan de helft van de beschikbare mandaten. Dit wijst onmiskenbaar op een concentratie van macht in de handen van een relatief beperkt aantal personen. Daarnaast was er echter ook een regelmatig mutatieproces. Bijna twintig percent van de aangestelde wethouders zetelde in de betrokken periode zelfs slechts eenmaal.

Wanneer we de zeventien personen die in de periode 1550-1566 53 percent van de mandaten voor hun rekening namen, van naderbij bekijken, dan vinden we in hun rangen elf ridders en drie jonkers, twee juristen en één koopman. Deze cijfers tonen de dominante positie van de edellieden. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat Guicciardini schreef dat in Antwerpen ‘Edeldoms genoech [was] tot regiment ende bewindt van de stadt: want zy wordt in de treffelijckste saecken bycants gheelijck van den Edeldom gheregeert’.6 Onder de geridderde edellieden in de stadsmagistraat bevonden zich steeds opvallend veel representanten van de bekende adellijke geslachten die sedert de late Middeleeuwen een vaste aanwezigheid in het stadsbestuur uitmaakten. Bij de bovenvermelde elf ridders waren zij vertegenwoordigd met Hendrik van Berchem, Costen van Halmale, Jan van Schoonhoven, Dirk van de Werve en Jan van de Werve Henricxzn. Ook Reinier van Ursel, een van de drie vermelde jonkers, behoorde tot zo'n geslacht. Niet toevallig waren deze families ook nauw verwant. Een weloverwogen huwelijkspolitiek, gericht op de consolidatie of versteviging van de macht van de familieclan, lag hieraan ten grondslag. Toch was er op het bestuurlijke vlak ruimte voor sociale mobiliteit, zij het in beperkte mate. Zo

[p. 40]

behoorden Jacob van der Heyden, Nicolaas Rockox, Antoon van Stralen, Melchior Schetz, Koenraad del Vaille en Jan Wolffaert tot families met een minder roemrijk verleden. De ouders van Van Stralen, Schetz en del Vaille hadden zich als immigranten, aangetrokken door de expansie van de metropool, in de Scheldestad gevestigd. Jacob van der Heyden was voor zijn carrière in de stadsmagistraat nog koopman geweest; bij de wetsvernieuwing van 1557 werd hij voor het eerst als ridder vermeld. Melchior Schetz, die geridderd werd in 1561, bleef in de jaren dat hij fungeerde als wethouder, actief als koopman-financier. Ook de bijzonder rijke Antoon van Stralen trad meer dan eens op als geldschieter. Door hun rijkdom en aanzien konden telgen uit deze op de maatschappelijke ladder gestegen families het brengen tot een huwelijk met leden van de bekende adellijke geslachten. Zo was Nicolaas Rockox, die in 1550-1566 met zestien mandaten de topwethouder bij uitstek was, een zwager van Lancelot van Ursel en Jan van de Werve.

Naast de geridderde edellieden zetelden er in de stadsmagistraat ook jonkers, gegoede burgers met een universitaire opleiding en kooplieden. Hun aandeel laat zich niet precies reconstrueren, maar de vertegenwoordigers van de burgerij en de kooplieden waren ten opzichte van de edellieden ongetwijfeld in de minderheid. Van de 66 burgemeesters, schepenen en tresoriers-generaal die van 1550 tot en met 1566 de dienst uitmaakten, konden we er 35 identificeren als behorend tot de adel, 16 als universitair gevormde burgers en 7 als kooplieden.7 De zestien wethouders uit de burgerij hebben minstens een opleiding gekregen aan de artes-faculteit, maar we mogen aannemen dat velen tevens een juridische vorming hadden genoten.8

Het relatief geringe aandeel van de kooplieden in de stadsmagistraat is frappant. Zelfs wanneer we de vier geridderde (gewezen) kooplieden meetellen, zijn de kooplieden nog maar goed voor 16 percent van de wethouders en 13 percent van de beschikbare mandaten. Bovendien zetelden vier van de zeven kooplieden slechts één enkele maal. Tegen de achtergrond van de ongekende commerciële expansie en het verpletterende overwicht van de kooplieden in het stedelijke vermogen, kan hun geringe aandeel in het stadsbestuur verbazing wekken. Zo was het stadsbestuur in Lyon, een stad die in de eerste helft van de zestiende eeuw eveneens een belangrijke demografische en commerciële groei kende, in handen gekomen van een beperkte groep grote kooplieden, ten nadele van het vijftiende-eeuws stadspatriciaat.9 Ook in Londen, eveneens een sterk expansieve stad, was een koopliedenaristocratie aan de macht.10

De ambachtslieden waren al helemaal niet vertegenwoordigd in de stadsmagistraat. Om de ambachten op regelmatige tijdstippen in het stadsbestuur te betrekken, was sinds 1435 de Maandagse Raad ingesteld, die be-

[p. 41]

stond uit de voltallige magistraat en twaalf raadslieden van de ambachten.11 Deze twaalf raadslieden werden elk jaar na de wetsvernieuwing door de magistraatsleden gekozen uit een door de ambachten opgestelde keuzelijst. Enkel de belangrijkste ambachten hadden evenwel toegang tot de Maandagse Raad. De schippers, hoveniers en meerseniers hadden elk jaar een afgevaardigde in de Raad, terwijl achttien andere ambachten om de twee jaar vertegenwoordigd waren. De raadslieden van de ambachten mochten elke maandagvoormiddag hun mening te kennen geven over de materies van ‘Policie ende Ghemeynte’ die aan de orde waren. Voor gewichtige zaken werd echter de Brede Raad samengeroepen waarin de ambachten als vierde lid zetelden. 23 à 26 geprivilegieerde ambachten waren in de Brede Raad vertegenwoordigd met twee dekens. Deze ambachtsdekens werden door de magistraat uit een lijst gekozen en elk jaar voor de helft vernieuwd.12

Naast de magistraat en de ambachten zetelden de oud-schepenen en de hoofdmannen en wijkmeesters respectievelijk als tweede en derde lid in de Brede Raad. De vier hoofdmannen (twee oud-schepenen en twee poorters) en de 26 wijkmeesters (twee per wijk) vertegenwoordigden de poorterij. Volgens een keizerlijke ordonnantie uit 1555 moesten de wijkmeesters gekozen worden ‘uten treffelijcxsten van elcken wijck’.13 Zij werden voor twee jaar aangesteld en jaarlijks voor de helft vernieuwd. De dertien uittredende wijkmeesters legden dan een kandidatenlijst voor, waaruit de magistraat per wijk één vertegenwoordiger koos. Hoewel de hoofdmannen en wijkmeesters in principe vertegenwoordigers waren van alle burgers die het poortersrecht bezaten, waren zij toch voornamelijk afkomstig uit de gegoede burgerij.14 Als bemiddelingskanaal tussen de magistraat en de stedelijke bevolking was voor de wijkmeesters een belangrijke rol weggelegd. Zij stonden aan het hoofd van de burgerwacht van hun wijk, en werden daarbij bijgestaan door honderd- en tiendemannen. Dit netwerk stelde de wijkmeesters in staat de bevolking van hun wijk in grote mate te controleren. De efficiëntie van deze gedecentraliseerde controlestructuur hing echter af van de bereidwillige medewerking van de wijkmeesters en hun ondergeschikten. Zeker in periodes van politieke crisis kon hun loyauteit tegenover de stadsmagistraat of de centrale overheid ernstig op de proef gesteld worden.

Via hun aanwezigheid in de Brede Raad zorgden de wijkmeesters en de dekens van de ambachten ervoor dat de gegoede burgerij en de welgestelde middenklasse een geïnstitutionaliseerde stem hadden in het stadsbestuur. De magistraat bezat als eerste lid echter het initiatiefrecht om de Brede Raad samen te roepen en ging daar vóór 1577 pas toe over wanneer de stedelijke gemeenschap geconfronteerd werd met belangrijke financiële vraagstukken, zoals de toekenning van de vorstelijke beden of de invoering van nieuwe belastingen. Er konden dan ook een aantal jaren verlopen vooraleer een

[p. 42]

volgende Brede Raad samenkwam. Pas tijdens de Calvinistische Republiek (1577-1585) groeide de Raad uit tot een quasi-permanente vergadering die zich met zowat alle problemen van de stedelijke huishouding inliet. De Brede Raad kon evenwel slechts tot een finale beslissing komen wanneer de vier leden het onderling eens waren. Het spreekt vanzelf dat een dergelijke omslachtige overlegprocedure in tijden van politieke spanning en oorlog niet bevorderlijk was voor een snelle besluitvorming.15

De wethouders werden in de uitoefening van hun mandaat bijgestaan door een aantal stedelijke ambtenaren. De pensionarissen, secretarissen en griffiers waren daarbij veruit de belangrijkste functionarissen.16 Vanaf 1506 had de stad twee pensionarissen in permanente dienst. Deze universitair gevormde juristen gaven de wethouders juridische adviezen. Een van beide pensionarissen verbleef nagenoeg permanent in Brussel, waar hij samen met de buitenburgemeester en een of meer schepenen de belangen van de stad behartigde bij de Staten van Brabant, de Raad van Brabant en de centrale regering. Door hun deskundigheid, het permanente karakter van hun mandaat en hun buitensteedse contacten hadden de pensionarissen een reële invloed op de politieke besluitvorming. De vier secretarissen stonden de schepenen bij in hun administratieve werkzaamheden. Zo verzorgden zij onder meer de stedelijke briefwisseling, registreerden zij de plakkaten en controleerden zij allerlei officiële akten afgeleverd door het stadsbestuur. De drie en vanaf 1563 vier griffiers hadden vooral een belangrijk aandeel in de administratie van de burgerlijke rechtspraak. In tegenstelling tot de pensionarissen en de secretarissen hadden de griffiers geen enkele politieke invloed. Al deze hoge functionarissen behoorden doorgaans tot mobiele Brabantse ambtenarengeslachten, waarvan de leden belangrijke ambten bekleedden op stedelijk en gewestelijk niveau.

De vorst werd in de stad Antwerpen vertegenwoordigd door drie hoge officieren die vooral een verregaande rechterlijke bevoegdheid bezaten: de schout of markgraaf, de onderschout en de amman, die door de vorst of zijn plaatsvervanger voor het leven werden benoemd.17 De schout moest op bestuurlijk vlak de regeringsplakkaten en de stedelijke ordonnanties uitvaardigen en de naleving ervan controleren. Tevens adviseerde hij de centrale regering voor de jaarlijkse wetsvernieuwing. De belangrijkste taak van de schout lag echter op het terrein van de justitie. De schout nam immers het initiatief tot de rechtsvervolging in zaken van strafrecht. Hij spoorde de misdadigers op, arresteerde hen en bracht hen voor de Vierschaar, die hij aanmaande recht te spreken. De Vierschaar, samengesteld uit de schout en de schepenen, was, op enkele uitzonderingen na, uitsluitend bevoegd voor criminele misdrijven van hoge justitie, dit wil zeggen misdrijven waarop de doodstraf, blijvende verminking of verbanning als strafmaat stonden. Ook de ketterij behoorde tot deze misdrijven. Het onderzoek werd in dergelijke

[p. 43]

gevallen geleid door de schepenen, die ook het vonnis uitspraken. De schout diende ten slotte te zorgen voor de uitvoering van de straf. De onderschout was oorspronkelijk een plaatsvervanger van de schout, wiens bevoegdheden hij in geval van afwezigheid overnam. Vanaf 1557 was hij echter een volwaardig ambtgenoot van de schout, die wel de protocollaire voorrang behield. De bevoegdheid van de derde vertegenwoordiger van de vorst, de amman, strekte zich uit over de burgerlijke rechtspraak. In een commerciële metropool als Antwerpen was een vlotte afhandeling van de burgerlijke geschillen uiteraard erg belangrijk. Een ietwat aparte positie werd ingenomen door de burggraaf. Deze vertegenwoordiger van de vorst was tijdens de Middeleeuwen de militaire bevelhebber over de stedelijke burcht. Mettertijd evolueerde de functie echter tot een eretitel zonder veel reële inhoud. In de zestiende eeuw waren de graven van Nassau burggraaf van Antwerpen. Toen tijdens het Wonderjaar Willem de Zwijger, prins van Oranje en graaf van Nassau, in de Scheldestad op de voorgrond trad als gouverneur, kreeg het ambt van burggraaf de facto weer een concrete machtsinvulling.18 Hoewel de centrale regering het benoemingsrecht van de schout, onderschout en amman bezat, verhinderde dit niet dat het voornamelijk telgen uit de bekende adellijke magistraatsgeslachten waren die deze hoge ambten in de wacht wisten te slepen.19

 

In een Europa dat gekenmerkt werd door een toenemende vorstelijke centralisatie, bleken de commerciële centra het best gewapend om hun politieke onafhankelijkheid te verdedigen.20 Hoewel de Antwerpenaars een grote impact behielden op het keuzeproces van de wethouders en de oude elite zich kon handhaven, kreeg ook de Scheldestad af te rekenen met het groeiende centralisatiestreven van de Habsburgers. Bovendien had de opkomst van de hervormingsgezinde ideeën aan deze ontwikkeling een nieuwe dimensie toegevoegd. Een versteviging van het centrale gezag en een beknotting van de stedelijke autonomie bleken immers een efficiënte bestrijding van de ketterij te bevorderen. Dankzij het proefschrift van Guy Wells zijn we voor Antwerpen goed ingelicht over de aard en de evolutie van de relatie tussen stedelijke en centrale overheid.21 Tijdens het bewind van Karel v bleef tussen beide partijen een gespannen evenwicht bestaan. Voor het behoud van Antwerpens welvaart waren twee zaken van essentieel belang. Ten eerste mochten de stedelijke privileges die de handel beschermden, niet aangetast worden, wat na 1520 impliceerde dat kooplieden uit protestantse gebieden niet verontrust zouden worden vanwege hun geloofsovertuiging. Ten tweede moest in de stad een politiek en sociaal status-quo gehandhaafd blijven. In geval van onrust moest de vorst de positie van de stadsmagistraat desnoods met geweld veilig stellen. Anderzijds was keizer Karel onder meer voor de financiering van zijn talrijke Europese oorlogen

[p. 44]

aangewezen op de Antwerpse kapitaalmarkt.22 De kansen van die markt waren echter afhankelijk van de blijvende aanwezigheid van grote koopliedenfinanciers in de Scheldestad. Daarom moest de stadsmagistraat de kooplieden een zo groot mogelijke vrijheid en tolerantie in religiezaken kunnen verzekeren. De houding van de betrokken partijen werd met andere woorden bepaald door noodgedwongen pragmatisme. In theorie was Karel v immers een voorstander van verregaande centralisatie en religieuze uniformiteit.

Tijdens de regeringsperiode van Filips ii, die in oktober 1555 zijn vader Karel v als vorst van de Nederlanden was opgevolgd, kwam het hierboven beschreven evenwicht onder toenemende druk te staan. Gedurende de eerste jaren van Filips' regering werden de grote discussiepunten vooral veroorzaakt door de financiële desiderata van de centrale regering, die voor de financiering van de oorlog met Frankrijk aanzienlijke geldmiddelen nodig had.23 De religiekwestie trad in deze periode niet echt op de voorgrond. Na de vrede van Le Cateau-Cambrésis (3 april 1559) nam Filips ii echter nieuwe initiatieven om de katholieke religie te ondersteunen. Een nieuwe bisdommenindeling werd doorgevoerd en er werd aangedrongen op een striktere toepassing van de ketterijplakkaten. Bovendien werd het politieke spel voor de Antwerpse wethouders nog gecompliceerder door de betrokkenheid van kardinaal Granvelle en de grote edelen die de lokale machthebbers dienstbaar trachtten te maken aan hun plannen. Het was vooral Granvelle die in 1561-1562 een bisschopszetel te Antwerpen wilde inrichten en als invloedrijk lid van de centrale regering beijverde hij zich voor de aanstelling van overtuigde katholieke wethouders. In beide gevallen werd zijn optreden ingegeven door een efficiënte en doortastende bestrijding van de ketterij. Voor de Antwerpse stadsbestuurders betekenden deze plannen een rechtstreekse bedreiging van het zo noodzakelijke evenwicht. Zij vreesden namelijk dat door de installatie van een bisschop tevens de inquisitie geïntroduceerd zou worden in de Scheldestad. Wanneer zij het monopolie op de berechting van de ketters zouden verliezen, zouden ook de waarborgen voor de vreemde kooplieden wegvallen. Daarom gingen zij vanaf januari 1562 in hun oppositie verder dan de Brabantse edelen en prelaten, die zich verzetten tegen de incorporatie van drie Brabantse abdijen in de nieuw opgerichte bisschopszetels. De installatie van een bisschop te Antwerpen als dusdanig werd vanaf toen het voorwerp van het Antwerpse verzet. Een driekoppige delegatie, bestaande uit amman Godevaart Sterck, schepen Reinier van Ursel en pensionaris Jacob van Wesenbeke, reisde af naar Spanje om van Filips ii de afschaffing van de Antwerpse bisschopszetel te bekomen. Pas in augustus 1563 kon de delegatie huiswaarts keren, nadat de Spaanse koning de beslissing in Antwerpen een bisschop te installeren had opgeschort.24

Reeds enkele maanden later werd de Antwerpse welvaart andermaal be-

[p. 45]

dreigd door nieuwe ontwikkelingen. Nadat de internationale constellatie en handelspolitieke overwegingen al enkele jaren voor een gespannen verhouding tussen Engeland en de Nederlanden hadden gezorgd, besloot de landvoogdes, Margareta van Parma, eind november 1563 tot een embargo op de aanvoer van Engelse wol en laken. Ook in deze zaak toonde Granvelle zich weerom een voorstander van de harde aanpak. Het handelsembargo veroorzaakte in Antwerpen spoedig een grote werkloosheid en de wethouders vreesden voor sociale onrust en opstanden. De beslissing van de Engelse koningin om de Engelse lakenstapel te verplaatsen naar het Oost-Friese Emden, dreigde bovendien de Antwerpse economie een structurele schade te berokkenen. De crisissfeer bleef aanhouden tot de Engelsen begin 1565 op hun beslissing terugkwamen. Heel het conflict had de Antwerpse wethouders echter duidelijk gemaakt dat de centrale regering er niet voor terugschrok door haar confrontatiepolitiek de economische welvaart van de stad ernstig in gevaar te brengen.25

 

Als besluit mogen we stellen dat de Antwerpse privileges en autonomie ondanks een aantal forse bedreigingen toch overeind bleven tijdens het eerste decennium van de regeringsperiode van Filips ii. De Antwerpse wethouders slaagden erin een bisschop en eventuele inquisiteurs buiten hun muren te houden en behielden zo het alleenrecht op de ketterberechting. Dat zij hun monopoliepositie te allen prijze zouden verdedigen, mocht ook de bekende Vlaamse inquisiteur Pieter Titelmans ervaren, die in 1559-1562 naar aanleiding van de zaak-du Vivier een hard jurisdictiegeschil uitvocht met de Antwerpse magistraat.26 Toen Titelmans in mei 1559 Nicolaas du Vivier en zijn vrouw voor het geestelijk hof van Doornik daagde, interpreteerden de wethouders dit onmiddellijk als een machtsoverschrijding, aangezien poorters van Antwerpen in dergelijke gevallen alleen door de stadsmagistraat berecht konden worden. De wethouders werden in hun zienswijze gesteund door de markgraaf en de Raad van Brabant. Uiteindelijk haalde Titelmans bakzeil, want midden 1562 gebood de Geheime Raad de inquisiteur de zaak op te schorten. Van bij de aanvang zagen de Antwerpse wethouders in de aanspraken van Titelmans een door de centrale regering gesteunde aanslag op hun exclusieve jurisdictie. Titelmans' inquisitierechtbank had in het graafschap Vlaanderen in de jaren zestig het grootste aandeel in de kettervervolging.27

Antwerpen was er ook in geslaagd het hoofd te bieden aan de demarches van kardinaal Granvelle en de hoge edelen. In het stadsbestuur zetelden wel enkele kardinalisten en orangisten, maar Granvelle noch Willem van Oranje slaagden erin een dominant cliëntèlesysteem uit te bouwen. De meeste wethouders weigerden zich te binden aan een van beide partijen en streefden bovenal de privileges en de onafhankelijkheid van de stad na.28 Pas in het

[p. 46]

Wonderjaar zouden de hoge edelen een belangrijke rol vervullen in de Scheldestad. Het was de Antwerpse stadsbestuurders tijdens de eerste regeringsjaren van Filips ii tevens gelukt vreemde troepen buiten de stad te houden. De magistraat kon terugvallen op een eigen verdedigingsmacht, bestaande uit zes schuttersgilden die samen bijna vijfhonderd leden telden, en een mobiliseerbare burgerwacht.29 Het is in deze context dat we de bouw van het nieuwe stadhuis moeten zien als een uiting van het Antwerpse vrijheidsstreven. De talrijke beelden en symbolen moesten de grootheid en de privileges van de stad niet alleen beklemtonen tegenover de eigen burgers, zij vormden ook een waarschuwing aan het adres van de centrale regeringsmacht. In een tijdperk van toenemende centralisatie wilden de Antwerpenaars hun vorst bewust herinneren aan de stedelijke privileges en aan de wederzijdse rechten en plichten, zoals deze vervat lagen in de Blijde Inkomst.30

1Bevers, Das Rathaus von Antwerpen.
2Brief van 9 mei 1567 aan Antoine Perrenot, kardinaal van Granvelle: Corr. Granvelle, ii, 426.
3Zie voor het institutionele kader de overzichten van Vanroelen, ‘Het stadsbestuur’, Boumans, Het Antwerps stadsbestuur, en Wells, Antwerp and the Government of Philip ii, 74-91.

4Masure, De stadsfinanciën, 63-73.
5Vergelijk Marnef, Het Calvinistisch Bewind te Mechelen, 51-59; Van Uytven, Leuven ‘De beste stad van Brabant’, I, 217-227.
6Guicciardini, Beschrijvinghe van alle de Nederlanden, 89. Het begrip ‘adel’ laat zich moeilijk met precisie aflijnen. Naast objectieve waren ook contemporaine subjectieve factoren in het geding. Bovendien waren stadspatriciaat en adel sterk vermengd, zodat de grens tussen beide groepen vaak moeilijk te trekken valt.
7Acht wethouders konden we niet met zekerheid onderbrengen in een van de drie categorieën.
8De Ridder-Symoens, ‘De universitaire vorming’, 73-77, 84-85.
9Gascon, Grand commerce et vie urbaine au xvie siècle, I, 407-413.
10Archer, The Pursuit of Stability, hoofdstuk 2.
11Boumans, Het Antwerps stadsbestuur, 21-26; Vanroelen, ‘Het stadsbestuur’, 49; Guicciardini, Beschrijvinghe, 76.
12Boumans, Het Antwerps stadsbestuur, 31-32 en de lijsten in ara, Aud., 809/12 en ara, Aud., 1709/3.
13Soly, ‘Economische vernieuwing’, 528.
14Zie de lijsten in saa, Pk., 1341, 1465, 1971, en ara, Aud., 809/12.
15Guicciardini, Beschrijvinghe, 82; Vanroelen, ‘Het Stadsbestuur’, 49-51; Masure, De stadsfinanciën, 59-60.
16Guicciardini, Beschrijvinghe, 76; Boumans, Het Antwerps stadsbestuur, 45-53; Vanroelen, ‘Het Stadsbestuur’, 46-47; De Ridder-Symoens, ‘De universitaire vorming’, 90-112.
17Laenens, Geschiedenis van het Antwerps gerecht, 92-102, 257-259; Boumans, Het Antwerps stadsbestuur, 5-9, 142-148; Vanroelen, ‘Het Stadsbestuur’, 38-40; Wells, Antwerp and the Government, 82-84.
18Génard, Anvers à travers les âges, I, 26-30.
19Zie de lijsten in Prims, Geschiedenis van Antwerpen, vii-1, 175-176, en viii-1, 287-288.
20Cf. Koenigsberger e.a., Europe in the Sixteenth Century, 94; Blockmans, ‘Voracious states and obstructing cities’.
21Wells, Antwerp and the Government.
22Braudel, ‘Les emprunts de Charles-Quint’, 191-200, die de politieke consequenties van Karels afhankelijkheid van de Antwerpse kapitaalmarkt onbesproken laat.
23Zie uitvoerig Wells, Antwerp and the Government, 148-194.
24De aanvankelijk aangeduide titularis, Filips Nigri, was overigens op 4 januari 1563 te Brussel overleden.
25Zie voor dit conflict Wells, Antwerp and the Government, 275-306, en Ramsay, The City of London in international.
26Zie voor P. Titelmans (1501-1572), vanaf 1545 inquisiteur voor het graafschaf Vlaanderen en voor de steden en kasselrijen Rijsel, Douai, Orchies, Doornik en het Doornikse, Van de Wiele, ‘De inquisitierechtbank van Pieter Titelmans’. Zie voor de zaak-du Vivier: Ibidem, 49-50, en Wells, Antwerp and the Government, 309-315.
27Van de Wiele, ‘De inquisitierechtbank’, 40-41.
28Wells, Antwerp and the Government, passim.
29Prims, Geschiedenis van Antwerpen, vii-1, 139-140 en 165-166.
30Zie voor de rol van de Blijde Inkomst Van Gelderen, The Political Thought of the Dutch Revolt, 27-30.
prepostterug  begin  verder