
Verkoop van vliegende bladen tijdens een marktdag. Close-up uit een markttafereel van Pieter Aertsen (1508-1575). (München, Alte Pinakothek)
Als een van de grote centra van de wereldhandel, waar kooplieden uit alle delen van Europa elkaar troffen, stond Antwerpen bij uitstek open voor nieuwe ideeën. We mogen immers aannemen dat in een kosmopolitische stad niet alleen geld en goederen werden uitgewisseld, maar dat er ook allerhande nieuwe opvattingen en nieuwsberichten circuleerden. De stedelijke overheid was om economische redenen overigens verplicht een tolerante houding aan te nemen tegenover de internationale koopliedengemeenschap. Daarnaast waren er in Antwerpen zowel geïnstitutionaliseerde als informele kanalen die mogelijkheden tot communicatie en onderlinge solidariteit boden. Ambachten, broederschappen, schuttersgilden, rederijkerskamers en buurtschappen vormden belangrijke elementen van de stedelijke sociabiliteit.1
Tegenstanders van de Hervorming wezen de kooplieden makkelijk met de vinger omdat zij via hun buitenlandse reizen ketterse ideeën en boeken binnensmokkelden.2 Deze geografische mobiliteit gold vanzelfsprekend ook voor de Antwerpse kooplieden. Hoewel de praktijk van de koopman die met zijn handelswaar meereisde, door de evolutie van de handelstechnieken grotendeels achterhaald was, trokken handelaars met internationale contacten er toch nog regelmatig op uit. Kooplieden van enig niveau beschikten voor hun handelsverrichtingen doorgaans over een goed uitgebouwd netwerk van agenten die hen geregeld per brief van nieuws voorzagen.3 Overigens hadden vele handelaars reeds op jeugdige leeftijd hun horizon kunnen verruimen. De aanstaande koopman werd immers niet zelden voor enkele jaren naar het buitenland gestuurd, waar hij zich in dienst van een koopman
aant.
of firma kon bekwamen in de handelspraktijk en in de vreemde talen.4 Ook in Antwerpen zelf troffen inheemse en vreemde kooplieden elkaar. Bepaalde gebouwen uit de stedelijke ruimte boden in dit opzicht specifieke mogelijkheden. In de Engelse Beurs en in de sedert 1532 in gebruik genomen Nieuwe Beurs troffen kooplieden, makelaars en verzekeraars elkaar tweemaal per dag, in de voor- en de namiddag. Een Antwerpenaar merkte op dat tijdens de beurstijd wel vijfduizend personen samenkwamen, ‘die eensdeels inde drije vuytgangen ter halver straten moesten blijven staen, nyet om clappen oft om naer nieuwe tijdingen te vernemen, dan alleenlijck om te negotieren’.5 Ook de verkoopshallen of panden waarin het hele jaar door producten te koop werden aangeboden, vormden een belangrijk trefpunt. Het toenemende belang van dergelijke permanente hallen hing samen met de tanende betekenis van de traditionele en periodiek gebonden jaarmarkten.
De ongeveer duizend kooplieden die omstreeks het midden van de zestiende eeuw deel uitmaakten van een van de vreemde naties in Antwerpen, hadden een belangrijk aandeel in de commerciële opgang van de Scheldestad. Het is echter maar de vraag of zij ook een diepgaande culturele invloed op de Antwerpse samenleving hebben uitgeoefend. Was er op dit niveau sprake van integratie of segregatie?6 De vreemde naties vormden in de stad immers afzonderlijke corporaties met specifieke privileges en een eigen bestuur en rechtspraak. De leden van de vreemde naties bleven onderdanen van hun land of stad van herkomst. Het lidmaatschap van een natie was bijgevolg onverenigbaar met het bezit van het Antwerpse poortersrecht. De kooplieden verbonden aan een van de buitenlandse kantoren van de Hanze, kregen zelfs een celibaatsverplichting opgelegd, om een definitieve vestiging en integratie in hun residentieplaats te vermijden. In de praktijk bleek deze maatregel in Antwerpen echter niet strikt te handhaven.7 We mogen ons de vreemde naties inderdaad niet voorstellen als geïsoleerde entiteiten die volledig afgesneden waren van de plaatselijke bevolking. De vreemde kooplieden hadden beroepshalve onvermijdelijk contact met de Antwerpse handelaars en ondernemers. Bovendien beschikten velen onder hen over Antwerps dienstpersoneel, zoals kassiers, dienstmeiden en knechten. Ook kwam het voor dat de vreemde zakenlieden hun zonen stage lieten lopen bij Antwerpse collega's, terwijl omgekeerd Vlaamse jongeren naar het buitenland werden gezonden.8 Duurzamere banden werden gesmeed door de gemengde huwelijken die in het internationale koopliedenmilieu voorkwamen. Vooral bij de zuiderse naties manifesteerde zich op dit vlak een integratieproces. Tussen 1533 en 1600 verwierven 186 zuiderlingen, onder wie 123 Italianen, het Antwerpse burgerrecht.9
Het kosmopolitische karakter van Antwerpen blijkt duidelijk uit het grote aantal vreemde naties dat men er aantrof. In de blijde intochten en de om-
aant.
megangen die door de straten van Antwerpen trokken, hadden zij alle een vaste plaats. Zo stapten bij de blijde intocht van kroonprins Filips in 1549 Engelsen, Portugezen, Spanjaarden, Oosterlingen of Hanzeaten, Hoogduitsers, Luccezen en Milanezen mee op. Ook de Genuezen en Florentijnen hadden zich normaal in dit gezelschap moeten bevinden, maar vanwege een geschil over de in te nemen volgorde in de optocht hadden zij zich teruggetrokken.10 De bestrijders van de Hervorming hebben de vreemde koopliedennaties steeds voor een groot stuk verantwoordelijk gesteld voor de verspreiding van de ketterse denkbeelden. Alleen de Spanjaarden en Italianen waren in hun ogen overwegend goede katholieken. De meerderheid van de Portugezen was dat ook wel, maar door de aanwezigheid van maranen of nieuwe christenen in hun rangen golden zij toch als minder betrouwbaar.11 Typerend voor de mentaliteit die in bepaalde kringen heerste, was het onderzoek dat de Antwerpse magistraat in 1562 instelde naar aanleiding van de verklaringen van een Spaanse augustijn die in Antwerpen verbleven had. De monnik zou hebben gezegd dat het het best was de stad op vier of vijf plaatsen in brand te steken ‘ende dattet al verbrant werde datter in is, behalve datter vuyt waeren de Spaensche ende Italiaensche natien, overmidts dat alle dander Lutheranen waren’. Hij had er nog aan toegevoegd dat er tijdens de consecratie in de Antwerpse kerken ‘aldaer stonden, cleeffsche, galicxsche, duytsche ende ander met haeren hoeden ende bonetten op hen hooft, lachende ende coutende ende egheen reverentie biedende, sulcx dat beter ware dat zij alle verbert waren, dan gespart’.12
Beroepen en beroepsorganisaties uit de niet-commerciële sector konden eveneens een forum bieden voor onderlinge contacten en communicatie.13 We mogen ons de zestiende-eeuwse bedrijven daarbij niet voorstellen als grootschalige ondernemingen met honderden werknemers. De vermaarde drukkerij van Christoffel Plantin stelde op haar hoogtepunt een tachtigtal gekwalificeerde arbeiders tewerk en was daarmee wellicht de grootste industriële onderneming in de stad. Meestal ging het om kleine ambachtelijke bedrijven, waarin een meester bijgestaan werd door enkele leerjongens en gezellen.14 Toch mag het microniveau van de vertrouwde arbeidsplaats als contact- en ontmoetingsruimte niet onderschat worden. De gewone ambachtsman bracht er een groot deel van zijn tijd door en had er contacten met vakgenoten en met werklieden uit aanverwante branches. Bovendien bracht het lidmaatschap van een ambacht sociale en religieuze verplichtingen mee die groepsvorming en samenhorigheidsgevoelens in de hand werkten. Zo moesten de meesters aanwezig zijn op de door de dekens bijeengeroepen vergaderingen, en bij het overlijden van een ambachtslid werden de overige leden op de begrafenisplechtigheid verwacht. Elk ambacht had overigens in een van de parochie- of kloosterkerken een altaar of kapel, gewijd aan zijn patroonheilige. Bij het patroonfeest moesten de ambachtsleden de
| wijk | laken- koop- lieden |
zijde- laken- kopers |
oud- kleer- kopers |
schoen- makers |
|
|---|---|---|---|---|---|
| i | 20 | 32 | 0 | 0 | |
| ii | 11 | 16 | 15 | 38 | |
| iii | 24 | 1 | 25 | 4 | |
| iv | 0 | 1 | 3 | 20 | |
| v | 1 | 30 | 0 | 8 | |
| vi | 1 | 9 | 1 | 10 | |
| vii | 3 | 3 | 18 | 13 | |
| viii | 0 | 2 | 87 | 33 | |
| ix | 0 | 1 | 10 | 12 | |
| x | 0 | 5 | 9 | 26 | |
| xi | 0 | 0 | 0 | 30 | |
| xii | 1 | 11 | 5 | 21 | |
| xiii | - | 1 | 1 | 0 | |
| tot. | 61 | 112 | 174 | 215 | |
| Bron: saa, Tresorij, 1702. | |||||
| Noot: De keuze van de beroepen werd bepaald door het beschikbare bronnenmateriaal. |
misviering bijwonen en nadien volgde een gemeenschappelijke maaltijd in het gildenhuis. De leden van eenzelfde ambacht stapten ook gezamenlijk op in processies en ommegangen. Het religieuze element bracht de ambachtsbroeders dus geregeld bij elkaar. Zelfs na de dood kwam de onderlinge verbondenheid tot uiting. Zo hadden de leden van de natie van de goud- en zilversmeden een gemeenschappelijke grafkelder in het klooster van de predikheren, waar zij tevens hun altaar, gewijd aan Sint-Elooi, onderhielden. Ten slotte konden de zieke en behoeftige leden aanspraak maken op de steun van de armenbus, die gespijsd werd met bijdragen van de actieve ambachtsbroeders.15 Ook hier week de praktijk wel eens af van het ideaalbeeld. De ambachten waren zeker geen kernen van ongerepte harmonie en broederlijkheid. Zo golden bepaalde rechten en plichten alleen voor de ambachtsmeesters en niet voor de gezellen. Meer dan eens waren er conflicten onder leden van eenzelfde ambacht, bijvoorbeeld tussen meesters en gezellen of tussen gezellen en leerjongens. Ook met de vlottende groep van de onvrije arbeiders, die niet in een corporatie opgenomen waren, deden zich geregeld wrijvingen voor.16 Niettemin staat het buiten kijf dat de arbeidsplaats en de ambachtsverenigingen in de stedelijke samenleving belangrijke elementen van communicatie en sociabiliteit waren.
De banden die ontstonden via een beroep of een bedrijfstak werden nog
versterkt door de functie van de stedelijke ruimte. Vooral de buurtschappen fungeerden als netwerken van onderlinge bijstand en solidariteit.17 De contacten en de samenhorigheid werden er bovendien nog versterkt doordat in vele buurten concentraties van welbepaalde beroepen of beroepsgroepen voorkwamen. Ook in Antwerpen was dit zo, zo blijkt uit de spreiding van vier beroepsgroepen (lakenkooplieden, zijdelakenkopers, oudkleerkopers en schoenmakers) over de dertien wijken van de stad (cf. tabel 3.1). Vooral bij de lakenkooplieden, de zijdelakenkopers en de oudkleerkopers manifesteren zich duidelijke concentratiepunten. De lakenkooplieden en de zijdelakenkopers vinden we voor respectievelijk negentig en zeventig percent terug in drie wijken. Net de helft van alle oudkleerkopers woonde in de achtste wijk, terwijl ook de derde wijk met de Vrijdagmarkt een concentratiepunt vormde. De spreiding van de schoenmakers was daarentegen veel gelijkmatiger. Net als bijvoorbeeld de kleermakers, bakkers en herbergiers waren zij gericht op de productie van essentiële verbruiksgoederen waarvan de consumenten verspreid waren over de gehele stad.
Dit algemene beeld van de concentratie van bepaalde beroepen in welbepaalde wijken wordt bevestigd door een analyse op microniveau. De gegevens van een in 1571 gehouden volkstelling, waarbij ook het beroep van de gezinshoofden opgetekend werd, bleven bewaard voor veertien straten van de eerste wijk.18 Deze straten telden 278 gezinshoofden; in vijf straten oefende minstens de helft van de gezinshoofden hetzelfde beroep uit. Bovendien neemt de professionele eenvormigheid nog toe wanneer we beroepen uit eenzelfde sector of uit aanverwante sectoren samentellen. Zo vertegenwoordigen de zijdelakenkopers en de lakenkopers zeventig percent van de gezinshoofden woonachtig op de Grote Markt. De economische functie van sommige straten vinden we in een aantal gevallen overigens terug in de straatnaam. In de Schupstraat bijvoorbeeld waren zeventien van de achtentwintig gezinshoofden werkzaam als schupmaker. De professionele contacten en de gemeenschappelijke culturele leefwereld die vaak eigen was aan eenzelfde beroepsniveau, moeten de communicatiemogelijkheden in de buurtschappen ongetwijfeld bevorderd hebben. Daar staat tegenover dat steden met een sterke migratie gekenmerkt werden door een grote horizontale mobiliteit. We mogen aannemen dat in de straten van Antwerpen geregeld nieuwe gezichten opdoken. Toch verbleef 58 percent van de 121 vreemdelingen die inwoonden bij de bovenvermelde gezinshoofden uit de eerste wijk, al twee jaar of meer in de Scheldestad. Overigens is uit vergelijkbaar onderzoek gebleken dat we de immigranten niet per definitie als een sociaal ontwortelde en gedesorganiseerde groep mogen afschilderen. De migratie verliep vaak volgens geordende patronen, waarbij de nieuw aangekomenen konden terugvallen op geografische, familiale en/of professionele netwerken.19 Voor de Antwerpse textielindustrie, die in de
aant.
zestiende eeuw vele immigranten en seizoenarbeiders tewerkstelde, zijn er in elk geval aanwijzingen in die richting.20
Vanzelfsprekend waren het niet alleen professionele factoren die de bewoners van eenzelfde buurt dichter bij elkaar brachten. Zij deelden bijvoorbeeld een aantal taken en verantwoordelijkheden, zoals de reiniging van de straat en de hulpverlening bij brand(gevaar). Bij openbare feesten kon het gebeuren dat buurtbewoners samen aan de versiering van hun straat of wijk werkten.21 De burgerwacht was ingedeeld en georganiseerd op topografische basis, waarbij de wijken als overkoepelende structuren fungeerden. De honderd- en tiendemannen stonden binnen hun wijk aan het hoofd van kleinere ruimtelijke entiteiten, die respectievelijk honderd en tien weerbare mannen groepeerden. De keizerlijke ordonnantie van 17 mei 1555 bepaalde dat de honderd- en tiendemannen huiseigenaars moesten zijn, zodat we mogen aannemen dat zij minstens uit de gegoede middenklasse werden gerekruteerd.22
Op het religieuze vlak konden de parochies de groepsvorming bevorderen. Parochiegenoten konden deelnemen aan dezelfde kerkelijke diensten en devoties en opstappen in dezelfde processies waarin het beeld van een gemeenschappelijke patroonheilige werd meegedragen. De mogelijkheden tot groepsvorming hingen echter in grote mate af van de participatiegraad van de parochianen. Nog afgezien van de algemene religieuze conjunctuur kunnen we ons afvragen of de parochiële structuren wel voldoende waren uitgerust om de sterk toegenomen bevolking aan zich te binden. In 1477 was men tot een net van vier volwaardige parochies intra muros gekomen en na de opheffing van het augustijnenklooster was daar in 1529 nog de Sint-Andriesparochie aan toegevoegd. Deze vijfledige structuur bleef bestaan, ook nadat de Antwerpse bevolking bijna verdubbeld was.23 De protestantse Rose Hickman, die Engeland ontvlucht was tijdens de regeringsperiode van de katholieke koningin Mary Tudor, vond in de jaren vijftig in Antwerpen een veilig onderkomen ‘because there were not parish churches but onely cathedrall’24, zodat men moeilijk kon controleren wie wel en wie niet ter kerke ging.
Een diepgaander invloed moet ongetwijfeld zijn uitgegaan van de broederschappen. In deze religieuze genootschappen waren de vrijwillig toegetreden leden gegroepeerd rond de verering van een bepaalde heilige of relikwie. Omstreeks het midden van de zestiende eeuw waren er in Antwerpen ten minste een vijftigtal religieuze broederschappen, waarvan er 32 hun altaar of kapel hadden in de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Sommige broederschappen rekruteerden hun leden over het hele stedelijke grondgebied, andere beperkten zich dan weer tot een parochie of waren verbonden met een ambacht. Ook het ledenaantal van de broederschappen was zeer uiteenlopend. Een aantal confrérieën waren duidelijk elitaire verenigingen met een
beperkt aantal leden, afkomstig uit de geestelijke en wereldlijke aristocratie van de stad. De broederschappen van de Zoete Naam Jezus (maximum 12 leden), Sint-Huibrechts (maximum 21 leden), Sint-Pieter en -Paulus (maximum 25 leden) en het Heilig Kruis (maximum 30 leden) behoorden tot dit type. Het ledenaantal van de broederschap van Onze-Lieve-Vrouw-Lof daarentegen kon oplopen tot enkele honderden. Naast rijke kooplieden maakten er ook vele ambachtslieden deel van uit. Ten slotte waren er de ‘open’ broederschappen zonder ledenbeperking, zoals die van Onze-Lieve-Vrouw-Ontvangenis in de Sint-Joriskerk en het Koordje van Sint-Franciscus in de minderbroederskerk. De broederschappen waren zowel in spiritueel als in materieel opzicht verenigingen van onderlinge solidariteit.25
De openbare feesten, zoals processies, ommegangen en blijde intochten, waren bij uitstek vormen van stedelijke sociabiliteit en communicatie.26 Deze manifestaties vormden als het ware een microweergave van de stedelijke gemeenschap, althans van die groepen die vanwege van hun prestige of geïnstitutionaliseerd karakter voldoende eerbied afdwongen. Doordat de geestelijkheid, de politieke klasse, de schuttersgilden, de ambachten en de vreemde naties samen opstapten, werd benadrukt dat zij tot een collectiviteit behoorden waarin nochtans elke groep haar eigen plaats had. De volgorde van de deelnemende groepen was strikt bepaald en weerspiegelde hun plaats in de stedelijke hiërarchie. De optochten konden uitgroeien tot een echt massaspektakel dat uitermate geschikt was als communicatiemiddel. Bij de blijde intochten werden teksten gedeclameerd vanaf wagens en stellages en werden inscripties aangebracht op triomfbogen en zuilen, waarin telkens de identiteit van de stad werd benadrukt tegenover de vorst en tegenover de buitenwereld in het algemeen. De processies konden dienen als middel om de bevolking aan te sporen het wel en wee van de vorst mee te beleven. Tijdens de regeringsperiode van Karel v (1515-1555) gingen in Antwerpen jaarlijks gemiddeld acht à negen processies uit om de familiale of staatkundige voorspoed van de keizer af te smeken of om zijn succes te vieren.27 De vraag naar de reactie van de Antwerpse bevolking op de via optochten en processies uitgezonden boodschappen kan echter niet eenduidig beantwoord worden. Volgens Hugo Soly werd de receptie in grote mate beïnvloed door de groeiende kloof tussen de cultuur van de stedelijke elites en die van de volksmassa. De geestelijke en wereldlijke elite en de geëmancipeerde middenklasse ondergingen de invloed van Renaissance en humanisme, wat zich uitte in het programma en de vormentaal van de plechtige intochten. De blijde intrede van Karel v in 1520 vormt in dit opzicht een keerpunt. In de jaren zestig waren gedrukte programma's noodzakelijk om de symbolische en allegorische betekenis van de ‘nieuwe punten’ uit de stedelijke ommegangen toe te lichten.28 De stedelijke elites probeerden tevens de openbare feestcultuur een meer burgerlijk karakter te geven.29 Een po-
aant.
ging om de meer volkse cultuur te onderdrukken, blijkt uit een ordonnantie van 11 juni 1544 waarin bepaald werd dat de Sacramentsommegang veranderd zou worden ‘in eene processie van devotie, vermits in dien ommeganck met waegenen, kinderen, peerden en andere spectaculen dikwyls vele dissolutigheden van spelen en diergelyke sotternyen gebeurden, seer onbehoorlyk wesende ende tenderende meer tot ydelheyd dan tot devotien en reverentien van den H. Sacramente’.30
Samenvattend kunnen we stellen dat er in het zestiende-eeuwse Antwerpen verschillende vormen en niveaus van stedelijke sociabiliteit bestonden, die fungeerden als belangrijke kanalen van communicatie en groepsvorming. Bovendien vertoonden deze circuits vaak raakpunten, waardoor de onderlinge contacten en solidariteit nog versterkt werden. Zo konden beoefenaars van eenzelfde beroep of beroepsniveau elkaar treffen in eenzelfde buurtschap en werden zij verenigd in eenzelfde ambacht. Deze ambachten en de ermee gelieerde religieuze broederschappen hadden dan weer een ordenende en samenbindende invloed op de sociale, culturele en religieuze leefwereld van hun leden. Zo zien we dat huwelijken en familierelaties vaak het resultaat waren van onderling verweven en convergerende niveaus van sociabiliteit. Het is zonder meer duidelijk dat deze vormen van sociabiliteit en communicatie bij de verspreiding van de hervormingsgezinde ideeën een belangrijke rol konden spelen. Dit geldt echter evenzeer voor de katholieke reformatie, waarbij bijvoorbeeld een belangrijke invloed kon uitgaan van de religieuze broederschappen. Dit kan eventueel verklaren waarom het protestantisme en het hervormde katholicisme sterk doordrongen in welbepaalde groepen van de stedelijke samenleving.
In het culturele landschap van de laatmiddeleeuwse en zestiende-eeuwse steden wordt traditioneel een belangrijke plaats toegekend aan de rederijkerskamers, de genootschappen van dichtende en toneelspelende lieden.31 In de zestiende eeuw waren er in Antwerpen drie door de stedelijke overheid erkende kamers: de Violieren, de Goudbloem en de Olijftak.32 Naast hun betrokkenheid bij de organisatie van blijde intochten, ommegangen en processies, leverden zij een belangrijke bijdrage tot het literaire leven van de stad.33 Gegevens over aard en samenstelling van het ledenbestand van de drie vermelde rederijkerskamers, belangrijke elementen voor hun sociale plaatsbepaling, zijn jammer genoeg slechts zeer schaars voorhanden. Omstreeks het midden van de zestiende eeuw waren de kamers in elk geval genootschappen met een beperkt ledenaantal. In 1555 mochten de Goudbloem en de Olijftak elk 75 leden vrijstellen van dienst bij een van de
aant.
zes schuttersgilden.34 Het relatief beperkte ledenaantal impliceerde echter geenszins dat de rederijkers exclusief gerekruteerd werden uit de hoogste lagen van de stedelijke samenleving. De kamer der Violieren functioneerde in de schoot van de Sint-Lucasgilde en groepeerde bijgevolg vooral schilders en vertegenwoordigers van andere artistieke beroepen.35 In afwachting van verder onderzoek mogen we wellicht aannemen dat de rederijkerskamers vooral bevolkt werden door personen uit de gegoede middenklasse, wat de aanwezigheid van bemiddelde ambachtslieden met een voldoende ontwikkelingspeil uiteraard niet uitsloot. De typering van Enno van Gelder, die gewaagde van een geestelijke middenstand, lijkt ons dan ook adequaat.36 De erkende kamers werden voor hun bijdrage tot de openbare feestcultuur geregeld gesponsord door de stedelijke overheid. Luisterrijke feesten konden immers het imago van de stad en haar bestuurders oppoetsen. De factor, het eigenlijke artistieke brein van de kamers, zette zijn beste beentje voor ‘ter eeren vander stadt ende oic der gulden’. Naast de officieel erkende kamers bestonden er in Antwerpen ook onvrije, niet-erkende ‘cleynguldens’, waarover echter zeer weinig geweten is. De namen van 't Leliken in den dale van Calvarien en van de Damastbloem moeten in dit verband vermeld worden. Het spreekt vanzelf dat deze officieuze genootschappen veel minder door de stedelijke overheid gecontroleerd werden.
Algemeen wordt aangenomen dat de rederijkerskamers hebben bijgedragen tot de creatie van een geestelijk klimaat dat de ontvankelijkheid voor het reformatorische ideeëngoed bevorderd heeft.37 In feite hoeft dit niet te verbazen. Door hun stichtend-didactische karakter sneden de rederijkersspelen immers van bij de aanvang vaak morele en religieuze thema's aan. Veelzeggend waren de uitlatingen van de Engelsman Richard Clough, die op het ogenblik dat in Antwerpen het landjuweel van start ging, terugdacht aan de bekende Gentse spelen uit 1539: ‘there was at thatt tyme syche plays played, that hath cost many a thowsantt man's lyves; for in those plays was the worde of God fyrst openyd in thys countrey. Weche plays were and are forbeden, moche more strettly than any of the boks of Martyn Luter.’38 De Gentse spelen van 1539 hadden in ieder geval aangetoond dat in de kringen van de Antwerpse Violieren ideeën leefden die duidelijk afweken van de orthodoxe rooms-katholieke opvattingen. Op het refreinfeest dat zes weken vóór de bekende ‘Spelen van Zinne’ werd georganiseerd, was de Violieren een van de weinige kamers die reformatorisch getinte refreinen declameerden. Hervormingsgezinde tendensen vinden we ook in de bijdrage van de Antwerpse kamer aan de ‘Spelen van Zinne’, waar zij met haar antwoord op de vraag ‘Welc den mensche stervende meesten troost es’ de eerste prijs wegkaapte. Een duidelijke Lutherse invloed is aanwijsbaar in het Middelburgse ‘spel van zinne’ uit 1539, Den Boom der Schriftueren, dat nog hetzelfde jaar in Antwerpen gedrukt werd. De auteur van het stuk beriep
aant.
zich op ‘duytsche doctueren’ en hekelde onder meer de beeldenverering, de aflaten, de simonie en de beneficiënjacht van de clerus. Den Boom werd in 1542 te Antwerpen opgevoerd door een groep jongeren die een officieuze kamer gevormd hadden, de Damastbloem. De factor van deze kamer, de zestienjarige Jacob van Middeldonck, werd om die reden door de schout vervolgd, maar in 1546 vrijgesproken.39 Minder goed verging het de uit Oudenaarde gevluchte schoolmeester Peter Schuddematte, die zich in 1533 in de Scheldestad vestigde en er lid werd van de Violieren. Na twee jaar gevangenschap werd hij in 1547 te Antwerpen onthoofd wegens het opstellen van ketterse geschriften.40 Eenzelfde lot onderging op 4 januari 1558 de Antwerpse rederijker en boekdrukker Frans Fraet, die ‘diversche seditieuse boecken’ gedrukt had. Uit een refrein en een presentspel van zijn hand blijkt zijn hervormingsgezindheid.41
In het decennium dat aan de Beeldenstorm voorafging, legden de Brabantse rederijkers een drukke activiteit aan de dag. Het plakkaat van 26 januari 1560, dat verbood ‘camerspelen, baladen, liedekens, comedien, battementen oft andere diergelycke scriften’ te vertonen of te verspreiden zonder voorafgaande censuur, kon daar geen fundamentele wijzigingen in brengen.42 Het landjuweel dat in augustus 1561 te Antwerpen plaatsvond, vormde zelfs het absolute hoogtepunt van het zestiende-eeuwse rederijkersleven in het hertogdom Brabant. Een lid van de organiserende kamer der Violieren kon achteraf met grote voldoening noteren over het landjuweel: ‘soo heerlicken feeste, als men binnen Antwerpen nyet gesien en heeft gehadt van alle de steden, elck om het costelycxte, d'welck qualick om te scryven ware, alsulcken triumphe alsser gedaen werdt, soo van spelen, vieren, factien ende costelicke bancketten’.43 Op het landjuweel waren vijftien Brabantse kamers aanwezig - waaronder de drie Antwerpse - afkomstig uit elf verschillende steden. Het massaspektakel werd ingeleid door een prachtige intocht waaraan liefst 1.328 ruiters, 23 antieke wagens en 196 met toortsen verlichte praalwagens deelnamen.44 De Antwerpse stadsbestuurders hadden nochtans al hun gewicht in de schaal moeten werpen om van de centrale regering een toelating voor de organisatie van het landjuweel te bekomen. Pas na lange en moeizame onderhandelingen werd op 3 maart een octrooi verleend dat de Antwerpenaars strikte voorwaarden oplegde. Zo mochten geen materies van ‘polichie’ of religie behandeld worden en mochten er geen beledigingen geuit worden aan het adres van de koning, de wereldlijke overheid of de geestelijkheid. Bovendien mochten de deelnemende kamers slechts stukken opvoeren waarvan de teksten vooraf waren onderzocht en goedgekeurd door de centrale overheid.45 Deze strenge houding maakt duidelijk waarom de spelen van zinne een antwoord moesten brengen op vrij ‘onschuldige’ vragen als ‘wat den mensch aldermeest tot conste verwect’, en verklaart waarom de religieuze thematiek in tegenstelling met vroegere spelen volledig naar de achtergrond was verwezen.
De religieuze problematiek stond daarentegen wel centraal in een aantal refrein- en apostelspelen uit de jaren vijftig en zestig. Hoewel de refreinfeesten niet de duizenden toeschouwers op de been brachten die voor een landjuweel samenstroomden, toch verzamelden zij deelnemers uit verschillende steden. Gegevens over de feesten en de er voorgedragen refreinen zijn doorgaans slechts occasioneel voorhanden, bijvoorbeeld via handgeschreven verzamelbundels.46 Niettemin suggereren de beschikbare gegevens een drukke activiteit. Refreinfeesten werden in het hertogdom Brabant georganiseerd in Antwerpen (1556, 1559, 1561, 1562 en 1564), in Brussel (1559, 1561 en 1562) en verder in Mechelen (1562), 's-Hertogenbosch (1562), Breda (1564) en Lier (1564). Dat deze refreinspelen inspeelden op de politieke en godsdienstige actualiteit blijkt uit de bewaard gebleven vragen en antwoorden: ‘Wie werdich is Christus geschoncken genade?’ (Antwerpen, 1559), ‘Wat de landen can houden in rusten?’ (Brussel, 1562) en de stokregel ‘Neemt ut mynen mont niet dwoort der waerheyt heere’ (Antwerpen, 1564). Uit de refreinen blijkt dat het met de orthodoxie van de meeste rederijkers zeer bedenkelijk gesteld was. Erasmiaanse en reformatorische invloeden zijn duidelijk aanwijsbaar in de verheerlijking van het Woord Gods, de Schriftuur en de goddelijke genade. De bemiddelende rol van de heiligen, de priesters en de sacramenten komt niet meer ter sprake.47
De drie apostelspelen van Willem van Haecht die in 1563, 1564 en 1565 te Antwerpen werden opgevoerd, moeten hier eveneens vermeld worden.48 Deze apostelspelen, waarin episodes uit de Handelingen der Apostelen werden gedramatiseerd, waren vanuit hun aard religieus van opzet. De verdrukking en de vervolging van de eerste christenen waren voor van Haecht een dankbare gelegenheid om de contemporaine situatie aan te klagen:
Erasmiaans van toon zijn van Haechts aansporing tot liefde en eendracht en zijn pleidooi voor een zuivering van de Kerk door het aannemen van een algemeen-christelijke en evangelische houding. Duidelijk protestantse elementen treffen we dan weer aan in zijn voorstelling van het avondmaal dat met brood en wijn gevierd moet worden, en in het personage ‘Schriftuerlyck onderwijs’, gekleed als een doctor met een bijbel in de arm. Een interessant gegeven over de receptie van Willem van Haechts apostelspelen vinden we in de kroniek van Godevaert van Haecht naar aanleiding van een opvoering
aant.
door de Violieren op 21 juni 1565: ‘en hadde alle den volcke wel behaecht, maer de geestelycheyt grimde’. Enkele dagen voordien had men de rederijkers van de Olijftak, die op een Brussels rederijkersfeest een prijs hadden gewonnen, ingehaald ‘en doen had men oock 2 spelen gespeelt, waeraf d'een van den mistroostighen mensch was, die men scriftuerlyck troostede met Godts wonderlycken werken: maer men sprack er niet van bicht oft missen, also dat die rethoryck van haer [de clerus] niet bemint en is’.50
Op basis van het beschikbare materiaal kunnen we geen definitieve conclusies formuleren met betrekking tot het rederijkersleven. Uit de bewaard gebleven spelen en dichtwerken blijkt in elk geval de grote aandacht voor de religieuze problematiek. Wanneer we nu de cultuur en denkwereld van de rederijkers identificeren met die van de stedelijke middenklasse, dan komt duidelijk tot uiting hoe men in deze kringen beroerd werd door vragen rond het geloof en het persoonlijke zieleheil. Uit de antwoorden op deze vragen blijkt dat men geen vrede meer nam met de klassieke bemiddelende rol van de Kerk en haar bedienaars. Vele spelen vertoonden overigens een sterk antiklerikale tendens. Zij kwamen echter niet tot een eenduidig, welafgelijnd antwoord. De rederijkers - die vanzelfsprekend geen geschoolde theologen waren - benadrukten het geloof in Christus en verwezen veelvuldig naar de bijbel. In hun argumentaties toonden zij zich schatplichtig aan zowel het Erasmiaanse als het reformatorische gedachtegoed, zonder dat ze dit laatste bij naam expliciteerden. De vrees voor de vervolgingen en de censuur is hier zeker een remmende factor geweest.51 Anderzijds hoopten velen ongetwijfeld op hervormingen binnen de bestaande Kerk. Hoewel dit door het ontbreken van ledenlijsten niet met zekerheid vastgesteld kan worden, wijst alles er toch op dat de meeste rederijkers het in deze jaren van religievervolging niet tot een openlijke breuk met de katholieke Kerk lieten komen. Niettemin is het onmiskenbaar dat de rederijkers de aandacht voor de religieuze vraagstukken van hun tijd hebben aangescherpt en de ontvankelijkheid voor de hervormingsgezinde ideeën hebben bevorderd. Wanneer bij het begin van het Wonderjaar de calvinistische en lutherse predikanten vrij konden prediken, waren de interesse en de luisterbereidheid van een deel van het groeiend aantal toehoorders zeker mede in de hand gewerkt door de rederijkersspelen die ze voordien aangehoord of gelezen hadden.
Als we Lodovico Guicciardini mogen geloven, beschikte de Scheldestad omstreeks 1560 over een sterk uitgebouwd en kwalitatief hoogstaand onderwijsnet. De in Antwerpen verblijvende Florentijn noteerde immers:
‘Hier zijn veel scholen met geleerde meesters om de jonckheydt in allerley geschicktheydt van letteren t'onderwijsen. [...] Maer in dese stadt ende 't gansch landt door is gemeynlijck een gewoonte, als de kinderen een goedt beginsel hebben, ende datmense voorts wilt laten studeren in Vranckrijck, in Duytslandt, ende in Italien te senden. Oock zijn in dese stadt, ghelijck in veel andere steden des landts, verscheyden scholen, daer men den meyskens soo wel als den knechtkens de fransoysche spraecke leert. [...] Daarenboven zijn hier meesters die Spaens en Italiaens leren waer uyt in alle manieren wel blijckt dat dese stadt 't gmeyn Vaderlandt van alle Christelijcke natien is ende worden sal, indien zij haer ghestaltenisse ende wesen niet en verandert.’52
Het kosmopolitische karakter van de stad weerspiegelde zich met andere woorden ook in het onderwijs. De rol die Antwerpen als centrale handelsmetropool vervulde, bracht immers specifieke vereisten inzake opleiding en scholing mee. Het onderwijsaanbod had echter ook een rechtstreekse impact op het algemene ontwikkelings- en cultuurpeil van de Antwerpse bevolking en kon op die manier ook de religieuze beleving beïnvloeden.
Op papier vertoonde het Antwerpse onderwijsnet een vrij eenvoudige structuur. Het elementaire lager onderwijs, gericht op het leren lezen en schrijven en op de moedertaal, werd verstrekt in een groeiend aantal particuliere of ‘duytsche’ scholen. De schoolmeesters en schoolvrouwen die dergelijke scholen openhielden, moesten lid zijn van de in 1530 opgerichte gilde van Sint-Ambrosius en Sint-Cassianus. Het voortgezette Latijns onderwijs werd gedoceerd aan de vijf papenscholen, waarvan de kapittelschool van de Onze-Lieve-Vrouwekerk de oudste en belangrijkste was. Sedert 1521 beschikten ook de andere parochies over een Latijnse school en in 1529 werd die van Sint-Andries daar als vijfde aan toegevoegd.53 Toch was de organisatie van de papenscholen in de zestiende eeuw geen exclusief klerikale aangelegenheid meer, want ook de stedelijke overheid had een vinger in de pap.54 In zekere zin mogen we deze Latijnse scholen als publieke of officiële onderwijsinstellingen beschouwen. De controle van het onderwijs berustte bij drie verschillende instanties. De scholaster, een kanunnik van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel, oefende vanouds een controle- en visitatierecht uit over de particuliere en Latijnse scholen. Net als de ambachten had ook de Sint-Ambrosiusgilde een regulerende en superviserende functie ten overstaan van de aangesloten suppoosten. De dekens van de gilde mochten bovendien de private schoolmeesters geregeld visiteren. Ten minste vanaf 1546 waren er twee stedelijke commissarissen of superintendenten die, samen met de scholaster, de toelating van de onderwijskrachten in de gilde voorafgaandelijk moesten goedkeuren.55
Hoewel het voortgezette Latijns onderwijs in theorie voorbehouden was
aan de vijf parochiale papenscholen, hadden deze laatste toch af te rekenen met een toenemende concurrentie van de particuliere scholen. Uit het prosopografische onderzoek van H. De Groote blijkt dat de privé-schoolmeesters zich niet beperkten tot het moedertaalonderricht. Het overgrote deel van hen liet zich ook in met het onderricht van de Franse taal en van het rekenen en cijferen. In een aantal privé-scholen werden ook boekhouden, Spaans, Italiaans en Latijn onderricht. Dergelijke meer gespecialiseerde scholen vormden weliswaar een minderheid, maar significant is wel dat een meerderheid van de door De Groote vermelde Latijnse schoolmeesters werkzaam was binnen het particuliere net.56 De zowel kwantitatief als kwalitatief belangrijke inbreng van de particuliere scholen had veel te maken met de commerciële expansie van de Scheldestad. De talrijke op de handelspraktijk gerichte vakken wijzen daar reeds op. Een aantal Antwerpse schoolmeesters schreef bovendien belangrijke traktaten over boekhouden en aritmetica die in druk verschenen.57 De faam en de aantrekkingskracht van bepaalde privé-scholen wordt duidelijk geïllustreerd door de meisjesschool die Peter Heyns hield in de Augustijnenstraat. Heyns, die ook als rederijker actief was, leerde ‘duytsch, françois, lesen, schrijven, rekenen ende cijfferen’ en onderwees van 1576 tot 1585 in zijn school, ‘den Lauwerboom’, 464 kinderen, onder wie 251 ‘costkinders’ of internen, die van buiten de stad kwamen. Vele meisjes waren afkomstig uit het hertogdom Brabant, maar er waren er eveneens uit Vlaanderen, Holland en Zeeland, zodat zijn school als het ware een Groot-Nederlandse aanblik bood. In sociaal opzicht trok Heyns meisjes aan uit de hoogste kringen van het land, onder meer opvallend veel dochters van hoge ambtenaren en gezagsdragers uit centrale, regionale en lokale bestuursorganen. Maar ook kinderen uit de commerciële en ambachtelijke middenklasse bevolkten zijn schoolbanken.58
De spectaculaire groei van het Antwerpse onderwijs in de zestiende eeuw blijkt nog het best uit de naakte cijfers. Van 1530 tot 1600 werden in de Sint-Ambrosiusgilde 372 nieuwe schoolmeesters ingeschreven, wat wijst op een sterk ontwikkeld net van privé-scholen. Waren er in 1530 29 schoolmeesters, dan was hun aantal in 1562 reeds aangegroeid tot 71. Hierbij moeten we uiteraard wel rekening houden met de sterke demografische groei. De schoolmeestersgilde moest bovendien geregeld van leer trekken tegen de onvrije meesters die clandestien een school hielden.59 In april 1576 waren te Antwerpen minstens 88 schoolmeesters en 70 schoolvrouwen bedrijvig, zodat we mogen aannemen dat de stad tijdens haar gouden jaren zeker een honderdvijftigtal officieel geregistreerde leerkrachten moet hebben geherbergd.60 Het groot aantal schoolvrouwen dat in Antwerpen werkzaam was, mag in ieder geval merkwaardig genoemd worden, zeker wanneer we de Antwerpse situatie vergelijken met die van andere grote steden in Europa.
Zo trof Natalie Zemon Davis in de periode 1490-1570 in Lyon slechts vijf onderwijzeressen aan tegenover 87 schoolmeesters. Een in 1587 in Venetië gehouden telling bracht een nog groter onevenwicht aan het licht. Onder de 258 geregistreerde leerkrachten bevond zich welgeteld één enkele vrouw.61 Tevens moeten we onderstrepen dat het Antwerpse onderwijs in de zestiende eeuw in sterke mate gelaïciseerd werd. Dit gold in de eerste plaats voor de talrijke particuliere scholen die voor het overgrote deel geleid werden door leken-leerkrachten, maar ook in de Latijnse scholen verloren de clerici hun monopolie. In de papenscholen traden immers meer en meer door het humanisme beïnvloede leken op de voorgrond.62
Een goed uitgebouwd en gelaïciseerd onderwijs kon zowel op directe als op indirecte wijze de verspreiding van het protestantisme bevorderen. Zo kon een protestantsgezind schoolmeester zijn denkbeelden overbrengen op zijn leerlingen.63 Indirect had een degelijk onderwijs een sterk emancipatorisch effect. Een goede scholing bevorderde immers het vermogen tot kritische reflectie over de religieuze - en andere - problemen van de tijd. Via de verworven leesvaardigheid had men dan weer toegang tot tal van gedrukte werken die inspeelden op de religieuze problematiek, zoals bijbels, godsdienstige traktaten of eenvoudige vlugschriften. Het hoeft ons dan ook niet te verwonderen dat sinds de opkomst van het protestantisme de wereldlijke en geestelijke overheden het onderwijs aan een extra controle wensten te onderwerpen. Krachtens een keizerlijk plakkaat van 17 juli 1526 moest nauwlettend worden toegezien op het schoolmeesterskorps, en het plakkaat van 30 juni 1546 bevatte naast een lijst van verboden schoolboeken ook de bepaling dat aspirant-leerkrachten slechts in de gilde konden worden opgenomen na een voorafgaande goedkeuring door de scholaster en twee stedelijke commissarissen. Door de eeuwige edicten van april en september 1550, beter bekend als de ‘bloedplakkaten’, werden al deze maatregelen nog eens herhaald en werden strengere straffen in het vooruitzicht gesteld.64 Vóór het Wonderjaar werden in Antwerpen vijf schoolmeesters vervolgd vanwege hun religieuze opvattingen. Peter in de Roode Schotel herriep in 1522 zijn lutherse opvattingen. In 1530 werden de goederen van een gevluchte en niet bij naam genoemde lutherse schoolmeester geconfisqueerd, en François de Penyn, beschuldigd van het bezit van verboden boeken, werd in 1535 vrijgesproken. Merten Wouters werd in 1545 op borgtocht vrijgelaten, maar de reeds vermelde Peter Schuddematte werd twee jaar later onthoofd.65 Al bij al bleef het optreden tegen de schoolmeesters beperkt en werd slechts in één geval een zware straf voltrokken. Toch mogen we hieruit niet afleiden dat de Antwerpse onderwijzers voor het overgrote deel goede katholieken gebleven zijn. Wellicht hebben velen in deze kringen, net zoals in het rederijkersmilieu, een voorzichtige houding aangenomen uit vrees voor de strenge straffen en bleven sommigen hervormingen binnen de
aant.
bestaande Kerk nastreven. Bovendien moeten we rekening houden met de tolerante houding die de stadsbestuurders aannamen in religiezaken. Voor de Antwerpse handelsmetropool gold bij uitstek de stelregel dat de ketterijplakkaten slechts operationeel waren in de mate dat zij door de lokale overheden werden toegepast. De massale zuiveringen die onder de landvoogdij van Alva in het onderwijzerskorps werden doorgevoerd, wijzen in ieder geval op de onorthodoxe ideeën die bij velen leefden (zie hoofdstuk 7). Na de onderdrukking van de troebelen tijdens het Wonderjaar benadrukte de Spaanse augustijn Lorenzo de Villavicencio in niet mis te verstane bewoordingen de verderfelijke invloed die uitging van de ketterse leerkrachten. De schoolmeesters van zowel de lagere als de Latijnse scholen hadden volgens hem zeer grote schade aangericht omdat zij als ketters een groot aantal kinderen verdorven hadden. Na hun studies werden deze ketterse leerlingen burgemeesters en schepenen of bekleedden zij andere belangrijke posten in het stadsbestuur en begunstigden zij de ketters die voordien hun medeleerlingen of (school)meesters waren geweest.66
Een respectabel aantal Antwerpenaars zette na de afwerking van het voortgezette Latijns schoolprogramma zijn studies verder en schreef zich in aan een binnen- of buitenlandse universiteit.67 In de jaren 1528-1569 immatriculeerden aan de Leuvense Alma Mater 718 Antwerpse studenten. Een beperkter aantal jongeren bracht het tot een echte peregrinatio academica, waarbij vooral de tweede helft van de zestiende eeuw hoog scoorde.68 Hilde De Ridder-Symoens benadrukt dat Antwerpse koopliedenzonen en zelfs ambachtszonen vroeger en in grotere mate dan elders de weg vonden naar de universiteit, wat weer eens wijst op de ruime culturele mogelijkheden waarover de gegoede middenklasse in Antwerpen beschikte. Voor zonen van welgestelde ambachtslieden en voor pauperes behoorde een tocht langs vreemde onderwijsinstellingen veel minder tot de mogelijkheden, niet alleen wegens de hoge kostprijs maar mogelijk ook vanwege socioculturele uitsluitingsmechanismen.69 Opvallend is de toegenomen aantrekkingskracht van - voornamelijk Duitse - reformatorische universiteiten in het derde kwart van de zestiende eeuw, een periode die min of meer samenvalt met het protestantisme van de tweede generatie. De belangrijkste aantrekkingspolen waren Heidelberg, dat tijdens de regeringsperiode van keurvorst Frederik iii (1559-1576) onder calvinistische invloed kwam te staan, met tweeëntwintig studenten, en de lutherse universiteiten van Wittenberg en Rostock met respectievelijk zestien en vijftien Antwerpse studenten. Op een afstand volgden Bazel (zes studenten), Leipzig (vijf studenten), Marburg (vier studenten) en Tübingen, Jena en Genève met telkens twee studenten. Pas in het laatste kwart van de eeuw zond Antwerpen een noemenswaardig aantal studenten naar de befaamde academie van Genève, voornamelijk tijdens de periode van de Calvinistische Republiek.70 De bijdrage die deze stu-
aant.
denten geleverd hebben tot de ontwikkeling van het protestantisme in hun moederstad, en later eventueel in de ballingschap of in de Republiek, mag niet worden onderschat. Verscheidene studenten studeerden aan een van de vermelde universiteiten theologie of ondergingen er de reformatorische invloed en fungeerden nadien in het moederland als predikant of bekleedden een belangrijke positie in de lutherse of gereformeerde gemeenten. Bovendien vormden deze universiteiten ideale plaatsen voor het leggen van internationale contacten waarop men ook later kon terugvallen. Vooral langs gereformeerde zijde kwam een studieverblijf aan diverse universiteiten frequent voor.71 Tegen deze achtergrond is het uiteraard niet verwonderlijk dat Filips ii zijn Nederlandse onderdanen door een plakkaat van 4 maart 1570 verbood te studeren aan buitenlandse hogescholen, Rome uitgezonderd.72
Traditioneel wordt aangenomen dat de boekdrukkunst een belangrijke rol heeft gespeeld in de doorbraak van de Reformatie. Het toenemende aantal bijbels, nieuwe testamenten, psalmboeken en religieuze traktaten dat de persen van de boekdrukkers verliet, droeg inderdaad in grote mate bij tot de verspreiding van het reformatorische gedachtengoed.73 Jeanine Garrisson typeerde de bevoorrechte relatie tussen de protestant en het boek treffend als een ‘signe visible de l'alliance conclue entre Dieu et l'homme’.74 Dit klassieke beeld werd de jongste jaren echter door een aantal historici genuanceerd. Zij wijzen erop dat in de zestiende eeuw slechts een beperkte minderheid kon lezen en dat visuele en orale communicatiemiddelen bleven overheersen in het vroegmoderne Europa.75 Deze beperking geldt ook voor het zestiende-eeuwse Antwerpen, maar niettemin bleef de betekenis van het gedrukte boek er groot, temeer daar we mogen aannemen dat de alfabetisatiegraad in de Scheldestad hoger lag dan die in het Duitse Rijk, dat in het onderzoek van r.w. Scribner centraal staat.76 Hoewel we voor de zestiende eeuw niet over kwantitatieve gegevens beschikken, lijkt het ons goed mogelijk dat minstens de helft van de Antwerpse bevolking over een elementaire leesvaardigheid beschikte. Het sterk uitgebouwde onderwijsnet bood in dit opzicht zeker vele mogelijkheden.77
Ook voor het boekbedrijf was Antwerpens zestiende eeuw een Gouden Eeuw. Hoewel Antwerpen geen universiteit binnen haar muren herbergde en geen bestuurlijk of kerkelijk centrum was, vormden een kapitaalkrachtig publiek en de evidente aanwezigheid van internationale distributiekanalen een krachtige voedingsbodem voor de typografische bedrijvigheid. Samen met de commerciële expansie van de metropool groeide Antwerpen dan ook

Grafiek 3.1: Boekdrukkers en uitgevers (gegevens Voet) en globale tewerkstelling (gegevens Van den Branden) in Antwerpen, 1500-1600
Bron: Voet, ‘De typografische bedrijvigheid’, 245-252; Van den Branden, ‘Archiefstukken betreffende het Antwerpse boekwezen’, 169-170.
uit tot een centrum van boekproductie en boekhandel, dat kon wedijveren met steden als Parijs, Lyon, Keulen en Venetië. Binnen de context van de Nederlanden veroverde Antwerpen op korte tijd een verpletterend overwicht. In de jaren 1500-1540, de periode van de postincunabelen, waren in Antwerpen 66 boekdrukkers - net de helft van het totale aantal - actief, die goed waren voor 2.254 drukken of 55 percent van de globale boekproductie in de Nederlanden.78 Hoewel een volledige short title catalogue voor de periode na 1540 nog steeds pijnlijk ontbreekt, wijst alles erop dat het Antwerpse overwicht zich in de laatste zes decennia van de eeuw bestendigd heeft. De relatieve verhoudingen kunnen voor de Zuidelijke Nederlanden immers met een vrij grote betrouwbaarheid uitgetekend worden op basis van de meer dan vierduizend gedrukte werken, aanwezig in de collecties van de Koninklijke Bibliotheek in Brussel. Hieruit blijkt dat de 142 Antwerpse drukkers met hun 2.849 drukwerken in de periode 1541-1600 verantwoordelijk waren voor 64 percent van de boekproductie in de Zuidelijke Nederlanden, het prinsbisdom Luik inbegrepen.79 Het Antwerpse overwicht is bovendien nog groter wanneer men rekening houdt met de aard van
de gepubliceerde drukwerken. In een aantal drukplaatsen van tweede rangorde, zoals Gent en Brussel, werd het merendeel van de getelde titels immers ingenomen door onbelangrijke eenbladdrukken, zoals ordonnanties. Daarentegen was het merendeel van de Antwerpse productie georiënteerd op de internationale markt en behoorde het volgens Voet tot het beste van de zestiende-eeuwse boekproductie. De door Christoffel Plantin geleide
Officina Plantiniana (1555-1589) stelde ongetwijfeld de andere drukkersbedrijven in de schaduw, maar dit nam niet weg dat er in Antwerpen nog andere grote firma's bedrijvig waren, die in de Nederlandse en zelfs Europese context een belangrijke plaats innamen. De dynastieën van de families Nutius, Steelsius, Bellerus en van Ghelen en drukkers-uitgevers als Willem Silvius, Jan de Laet en Simon Cock kunnen in dit verband vermeld worden. In totaal waren in de zestiende eeuw in Antwerpen minstens 271 drukkers, uitgevers en boekhandelaars actief, onder wie 47 uitsluitend als boekhandelaar.80 Grafiek 3.1 toont duidelijk de groei van het Antwerpse boekbedrijf aan.
De cijfers van Voet moeten we echter als strikte minima beschouwen omdat zij vooral steunen op bibliografisch onderzoek. Zowel het onderzoek van Jan Van Roey, toegespitst op de jaren 1584-1585, als het globale archiefonderzoek van Lode Van den Branden brachten talrijke nieuwe namen aan het licht.81 Van den Branden repertorieerde voor de vijftiende en zestiende eeuw in totaal 625 namen van drukkers, uitgevers en boekverkopers. Daarnaast nam hij ook letterstekers, correctors, boekbinders, kunstdrukkers, kaartmakers, papierverkopers en perkamentmakers op. Het globale aantal tewerkgestelden in het typografische bedrijf werd weergegeven in grafiek 3.1, samen met de meer bibliografisch georiënteerde gegevens van L. Voet. Hieruit blijkt de gestadige groei van het drukkersbedrijf, die in de jaren tachtig onderbroken werd ten gevolge van de massale emigratie die na 1585 op gang kwam. Een inhoudelijke langetermijnanalyse van de Antwerpse boekproductie werd jammer genoeg nog niet verricht. Voor de periode van de postincunabelen (1500-1540) vormden werken met een godsdienstige strekking met 44 percent in elk geval het best vertegenwoordigde genre, gevolgd door de rubriek taal- en letterkunde met 28 percent.82 Voor de jaren na 1540 missen we precieze cijfers, maar op basis van de collecties van de Koninklijke Bibliotheek benadrukt L. Voet de internationale oriëntatie van het Antwerpse drukkersbedrijf, wat impliceert dat heel wat drukwerken in het Latijn gesteld waren.83 In de uitgebreide productie van de Officina Plantiniana - 1.996 titels, eenbladdrukken, waaronder ordonnanties, niet meegeteld - gaven de religieuze werken met 33 percent nog steeds de toon aan, terwijl de sectie humanistica, waaronder heel wat taalen letterkunde, goed was voor twintig percent.84 Een onderzoek naar het privé-boekenbezit zou ons een beeld kunnen geven van de boekenconsumptie, maar ook hier bevinden we ons voor Antwerpen op nog onontgonnen terrein. Hugo Soly merkt wel terloops op dat boeken slechts in zeer beperkte mate werden aangetroffen in interieurs van zestiende-eeuwse kooplieden. Zij bezaten ten hoogste een tiental boeken, terwijl de Antwerpse patricische families meestal wel over een behoorlijke bibliotheek beschikten.85
De door Maarten Luther op gang gebrachte reformatiebeweging vond dadelijk een grote weerklank in de Antwerpse boekenwereld. Reeds in april 1518 waren in de Scheldestad werken van de Wittenberger te koop en in de jaren twintig en dertig ontwikkelde Antwerpen zich tot een belangrijk centrum van protestantse drukken. In 1520-1522 verschenen er twaalf Latijnse en tien Nederlandse Lutherdrukken en van 1523 tot 1540 tellen we alleen al van Luthers bijbeleditie 28 gehele of gedeeltelijke Nederlandse bewerkingen.86 Ook reformatorische catechismussen, confessies en psalters rolden in de periode 1526-1545 geregeld van de persen van Antwerpse drukkers.87 De wereldlijke en geestelijke overheden konden niet afzijdig blijven tegenover deze protestantse propaganda. Op 13 juli 1521 werden op de Antwerpse Grote Markt in aanwezigheid van nuntius Aleander vierhonderd ketterse boeken verbrand, en vanaf 1521 werden geregeld keizerlijke plakkaten en stedelijke ordonnanties gepubliceerd tegen het drukken, verspreiden en lezen van lutherse boeken.88 Tot 1545 werden in Antwerpen vijftien personen, onder wie negen drukkers of uitgevers, vervolgd wegens het drukken, verkopen of verspreiden van ketterse drukwerken.89 De meesten onder hen kwamen er echter met relatief lichte straffen van af. Ze werden aan de kaak gesteld, tijdelijk verbannen of op bedevaart gestuurd. In drie gevallen volgde er zelfs een vrijspraak. Slechts Jacob van Liesvelt onderging de zwaarste straf: hij werd in 1545 terechtgesteld, nadat hij eerder tweemaal was vrijgesproken. Dat de Antwerpse stadsmagistraat zich tot het begin van de jaren veertig vrij gematigd opstelde, blijkt ook uit het feit dat boekdrukkers als Christoffel van Ruremond, Claas de Grave, Michiel en Jan Hillen van Hoochstraten, Maarten de Keyser, Matthias Crom en Willem Vorsterman, die allen uitgesproken protestantse werken drukten, niet noemenswaardig verontrust werden.90
Antwerpen was in de jaren twintig en dertig eveneens een belangrijk exportcentrum van Franse, Deense, Spaanse, Italiaanse en vooral Engelse protestantse drukken. Mogelijk was de Scheldestad vóór de jaren veertig zelfs het belangrijkste productiecentrum van Engelstalige protestantse literatuur. Alleen al in 1535-1536 verschenen er minstens zeven edities van William Tyndales bewerking van het Nieuwe Testament.91 Het is dan ook niet verwonderlijk dat in de index van verboden boeken, opgesteld door de theologen van de universiteit van Leuven in 1546, 1550 en 1558, de Antwerpse drukken bijzonder sterk vertegenwoordigd waren. Bij het overzicht van de verboden Nederlands- en Franstalige bijbels en Nieuwe Testamenten was het Antwerpse overwicht zonder meer verpletterend.92
Vanaf het midden van de jaren veertig legden de Antwerpse drukkers echter een grotere terughoudendheid aan de dag als producenten van protestantse werken. Ongetwijfeld vreesden zij een strengere repressie na de executie van hun collega Jacob van Liesvelt in 1545.93 Dit nam niet weg dat de
aant.
rederijker en drukker Frans Fraet zich te Antwerpen in 1551-1557 in alle clandestiniteit ontpopte als de meest actieve uitgever van protestantse literatuur in de Nederlanden.94 Niettemin namen vanaf ca. 1550 de protestantse vluchtelingencentra in Engeland en het Duitse Rijk de leiding als producenten van Nederlandstalige reformatorische literatuur.95 Tegelijkertijd was er een belangrijke inhoudelijke verschuiving. Terwijl de Antwerpse drukkers vóór 1540 een ruime evangelische literatuur gedrukt hadden die geen scherpe confessionele aflijning vertoonde, was de productie in de ballingoorden van duidelijk gereformeerde signatuur.96 Twee uit Antwerpen geëmigreerde drukkers met gereformeerde sympathieën, Wouter van Lin en Steven Mierdman, waren samen met een andere emigrant, Nicolaas Hill (van den Berghe), verantwoordelijk voor de meeste protestantse werken die tijdens de regeringsperiode van Eduard vi (1547-1553) in Londen gedrukt werden. Bij de troonsbestijging van de katholieke koningin Mary in 1553 verlieten de gereformeerde drukkers Londen echter en vestigden zij zich met hun persen in het Oost-Friese Emden.97 Op korte tijd zou deze havenstad, die vele gevluchte protestanten uit de Nederlanden herbergde, uitgroeien tot een uiterst belangrijk drukkerscentrum.98 Voortaan werden de Nederlandssprekende
gereformeerden in Antwerpen bevoorraad met in Emden gedrukte bijbels, psalmboeken, vertalingen van werken van Bullinger, Calvijn en Melanchton, en eigen Nederlands werk. Deze clandestiene handel werd bovendien bevorderd door de commerciële contacten tussen Antwerpen en Emden en door de bevoorrechte relaties die de jonge Antwerpse gereformeerde gemeenten onderhielden met de Emdense moederkerk.99 Doordat de verboden boeken zo voorzichtig mogelijk binnen de Antwerpse stadsmuren werden gesmokkeld, vinden we er weinig sporen van in de bronnen, maar af en toe vangen we toch veelzeggende echo's op. De boekhandelaar en ouderling Jacob Michiels zond vanuit Emden geregeld boeken naar Antwerpen, waar zij onder meer verkocht werden door Gaspar van der Heyden, de predikant van de Nederlandse gereformeerde gemeente. In een brief van 17 december 1555 meldde van der Heyden dat hij nog geregeld boeken uit de voorraad van Jacob Michiels aan de man bracht. Af en toe verkocht hij ook een psalmboek van Utenhove, maar hij voegde eraan toe dat hij ‘solde ook wel meer vercopen, waart datze zo diere niet en waren: want daer zynder zomtijts, die wel een dosyn teffens nemen zouden, mochten zij ze om 3. dalers hebben, om ook wat an te winnen’.100
Ondanks het clandestiene karakter kregen de Antwerpse wethouders toch lucht van de goed georganiseerde import van ketterse boeken. Blijkens een ordonnantie van 5 maart 1562 hadden enkele personen het aangedurfd ‘sekere quade hereticque ende seditieuse boecxkens’ uit het Frans te vertalen om ze in Emden of elders te laten drukken en ze nadien in Antwerpen
te verspreiden.101 Een jaar later moest de schout een onderzoek instellen naar vertaalde werken van Philips Melanchton, waaronder de Loci communes, en andere ketterse boeken gedrukt in Emden.102 In september 1566 zond Filips van Wissekercke drie tonnen boeken uit de drukkerij van zijn zwager Gillis van der Erven vanuit Emden naar Antwerpen, vanwaar ze later naar Vlaanderen gebracht werden.103 Er zijn inderdaad aanwijzingen dat de Scheldestad fungeerde als een distributiecentrum van uit Emden en andere plaatsen aangevoerde protestantse boeken, wat uiteraard nauw samenhing met de brugfunctie die de Antwerpse gereformeerde gemeente vervulde tegenover de andere gemeenten in Brabant, Vlaanderen en Zeeland.104
De Franssprekende gereformeerden die in Antwerpen verbleven en er minstens vanaf 1554 over een goed uitgebouwde gemeente beschikten, bleven niet achter bij hun Nederlandstalige collega's en bouwden een wijdvertakt netwerk uit dat hen voorzag van geïmporteerde protestantse drukwerken. Spilfiguur in dit netwerk was de uit Doornik gevluchte calvinist Jean Petit, die zich in 1559 of 1560 in Antwerpen vestigde. Petit legde zich in Antwerpen toe op de inkoop en verkoop van protestantse literatuur en schakelde daartoe internationaal verspreide relaties in. Hij kocht geregeld boeken in te Frankfurt, waar hij een tweede domicilie had en commerciële contacten onderhield met een neef die drukker was in Heidelberg. In Lyon werden zijn transacties vergemakkelijkt door een drukker die met zijn nicht gehuwd was, en in 1561 associeerde hij zich met Nicolas du Bar, een uit Valenciennes afkomstige en in Genève woonachtige boekhandelaar. Wegens het succes van hun onderneming zagen Petit en du Bar zich verplicht een beroep te doen op enkele colporteurs, onder wie Jacques Vrommon. Deze laatste ging zich geregeld bevoorraden in Antwerpen en logeerde er in de herberg van Jean le Grain, een spilfiguur in de Waalse gemeente te Antwerpen, die de clandestiene activiteiten van Jean Petit mee ondersteunde. In de herberg van le Grain, het Root Kruis, troffen Petit, du Bar en Vrommon elkaar geregeld. In 1563 werd Jacques Vrommon echter op een van zijn tochten door Vlaanderen en de Waalse gebieden in Armentières gearresteerd. In de catalogus die Vrommon bij zich droeg, werden een zestigtal boeken vermeld, op enkele uitzonderingen na allemaal Franse edities, waaronder verschillende bijbels, psalmboeken, werken van de Geneefse hervormers Calvijn, Viret en Beza, en verder publicaties van onder meer Bucer, Farel en Bullinger.105
Ook Spaanse en Italiaanse ketterse boeken werden Antwerpen binnengesmokkeld. De weinige beschikbare gegevens wijzen erop dat zij vooral vanuit Engeland werden toegezonden. In 1563 werd een onderzoek ingesteld bij Antoon Thielens, drukker van en boekhandelaar in voornamelijk Spaanse en Italiaanse werken, die de in Londen gevestigde Juan Lopez
aant.
Rambour gevraagd had een half dozijn Spaanse bijbels, gedrukt in Genève, op te sturen.106 Nog hetzelfde jaar werd in Antwerpen de Genuees Agostino Boazio, die in Antwerpen bedrijvig was als makelaar van Italiaanse en Spaanse kooplieden, aangehouden omdat in zijn huis ketterse boeken gevonden waren, waaronder een Spaans Nieuw Testament en Los psalmos de David, beide gedrukt in Venetië. Uit een brief die bij hem gevonden werd, bleek dat een aantal boeken, onder meer de Prediche di Bernardino Ochino, op zijn verzoek waren toegezonden vanuit Engeland.107 Zowel Thielens als Boazio werden echter weer op vrije voeten gesteld.
Ten slotte moeten we vermelden dat ook de doopsgezinden en de lutheranen zich voorzagen van de nodige literatuur. In 1562 werd in het huis van de doopsgezinde Isaac Stollaert een groot aantal ketterse geschriften gevonden, waaronder boeken van Menno Simons en Dirk Philips, ‘nyet alleenlyck tot desselffs Isaack gebruyck, maer oock om deselve te stroeyen ende te distribueren onder het volck’.108
Alles wijst erop dat er in de late jaren vijftig en in de jaren zestig in de Nederlanden een toenemende vraag bestond naar protestantse literatuur. Voor een zestiende-eeuwse drukker was het erg belangrijk een aandeel te veroveren in de religieuze boekenmarkt, of het nu protestantse bijbeledities of katholieke brevieren waren, omdat de ruime afzetmogelijkheden een behoorlijke winst opleverden, die desgevallend kon worden aangewend voor de financiering van minder populaire genres. Voor een aantal Antwerpse drukkers moet het daarom bijzonder frustrerend zijn geweest dat zij niet konden delen in de expansieve en winstgevende productie van Nederlandse bijbels en psalmboeken, terwijl een beperkt aantal in Emden gevestigde drukkers dit segment van de markt ongehinderd kon beheersen. Iemand die dit zeer goed begreep, was de grootste zakenman onder de Antwerpse drukkers, Christoffel Plantin. Nochtans had Plantin de gevaren die waren verbonden aan het drukken van ketterse werken aan den lijve ondervonden. In 1562 werden duizend exemplaren van de calvinistische Briefve instruction pour prier, die door drie van zijn knechten buiten zijn weten waren gedrukt, door de schout in beslag genomen en het jaar daarop moest hij zich verantwoorden voor twee Franse werken waarin eveneens invloeden van Genève aanwijsbaar waren.109 Dit weerhield Plantin er echter niet van in 1564 een editie van de bekende Franstalige psalter van Clément Marot en Théodore de Bèze op de markt te brengen, evenwel zonder vermelding van de auteursnamen, maar met een imprimatur.110
Plantin mikte echter ook op de Nederlandstalige markt van bijbels en psalmboeken. In het begin van de jaren zestig zond hij in samenwerking met Hendrik Niclaes, de sekteleider van het Huis der Liefde, twee van zijn medewerkers, Augustijn van Hasselt en Lenaart der Kinderen, met drukkersmateriaal naar het relatief veilige Kampen aan de IJssel. Tijdens het
Wonderjaar herhaalde Plantin deze methode en vestigde van Hasselt zich in Vianen, dat onder de bescherming stond van de opstandige Hendrik van Brederode. Op die manier kwamen Nederlandstalige bijbels, Nieuwe Testamenten en psalmboeken tot stand.111 Dat literatuur gedrukt in Vianen ondertussen zijn weg vond naar Antwerpen, blijkt sprekend uit de verklaring die Hans Spaen op 6 december 1566 aflegde voor de schepenen van Brugge. Spaen woonde nabij Emmerich in het Rijnland, maar als zaakgelastigde van graaf Willem van den Bergh trok hij geregeld naar Antwerpen. In Vianen had hij ‘A.B. ende psalmbouxkens’ en catechismusboeken gekocht van de boekdrukker Goris Heindricx. In Antwerpen liet hij de ingekochte literatuur inbinden in de Kammenstraat. Toen hij in Brugge met een voorraad boeken gearresteerd werd, stond hij op het punt te vertrekken naar Engeland. Spaen bekende dat hij de vermelde boeken had zien verkopen in Amsterdam, Breda en Antwerpen.112 Plantin was niet de enige Antwerpse drukker die een groot aanpassingsvermogen aan de dag legde. Tijdens het Wonderjaar legde Gilles Coppens van Diest, die kon terugblikken op een uitvoerige en gevarieerde fondslijst, zich nagenoeg uitsluitend toe op het drukken van clandestiene opstandige en calvinistische, lutherse en doopsgezinde literatuur.113
Het grote aantal edities en herdrukken van bijbeluitgaven, psalmboeken, catechismussen en belijdenisschriften, de goed uitgebouwde clandestiene boekhandel en de pogingen van enkele Antwerpse drukkers om een deel van de expansieve markt in te pikken, zijn alle indicatoren van een sterke vraag naar protestantse literatuur. Hoewel de omvang van deze vraag niet meer te kwantificeren is, vinden we toch een aanduiding in de - weliswaar schaarse - oplagecijfers. In 1556 verscheen Jan Utenhoves vertaling van het Nieuwe Testament in Emden op 2.500 exemplaren114, een bijzonder grote oplage wanneer men zich realiseert dat de oplagecijfers bij Plantin in de jaren 1563-1567 varieerden van 800 tot 1.600.115 Van de bij Plantin gedrukte Briefve instruction pour prier werden in 1562 duizend exemplaren in beslag genomen, terwijl er reeds vijfhonderd verzonden waren naar Parijs en Metz.116 In 1566 werd een vertaling van Luthers Hoogduitse Postille in Keulen op 1.500 exemplaren gedrukt ten behoeve van de Antwerpse en andere Nederlandstalige lutheranen.117 Een oplage van 1.500 exemplaren kwam blijkbaar wel meer voor, want reeds in 1528 was William Tyndales Nieuw Testament in Antwerpen op zoveel exemplaren gedrukt.118 De prijs van de boeken zette echter een rem op de verkoop, zoals reeds bleek uit de getuigenis van Gaspar van der Heyden. De aanschaf van een bijbel viel uiteraard veel duurder uit dan die van een eenvoudig pamflet of een Nieuw Testament. Een gewone ambachtsman moest voor een bijbel al vlug een bedrag neertellen dat gelijkstond met zijn weeksalaris.119 Toen op 22 juni 1569 op de Antwerpse Vrijdagmarkt een partij tweedehands boeken geveild
aant.
werd, ging een Biblia grece et latine van de hand voor 2 gulden 16 stuivers en een Novum Testamentum voor 1 stuiver.120 Omstreeks dezelfde tijd verdiende een metselaarsgezel een zomerdagloon van 12 stuivers. Hij moest bijgevolg vier à vijf dagen werken om zich een (tweedehands) bijbel aan te schaffen, maar een Nieuw Testament lag makkelijker in zijn bereik.121
De werkelijke impact van de verkochte drukwerken kunnen we slechts inschatten wanneer we rekening houden met andere niveaus van communicatie die aan het gedrukte woord een multiplicerend effect gaven. Zo werd op 26 maart 1563 om tien uur 's avonds een geheime vergadering in de Keizerstraat gesignaleerd, waarbij wel vierhonderd personen onder kaarslicht gebogen zaten over enkele boeken.122 Alles wijst erop dat het hier ging om een samenkomst van calvinisten, waar een predikant of enkele gemeenteverantwoordelijken toelichting gaven bij de Heilige Schrift of een ander religieus werk. De ondergrondse gereformeerde en doopsgezinde gemeenten hielden in de periode van vervolging geregeld geheime vergaderingen, waarop gewoonlijk enkele tientallen gemeenteleden samenkwamen. Vooral bij de calvinisten konden deze bijeenkomsten een meer massaal karakter aannemen. Al in de late jaren vijftig werden buiten de stadsmuren predikaties georganiseerd waarop enkele duizenden aanhangers aanwezig waren (zie hoofdstuk 5). Dergelijke kleinschalige of meer massale samenkomsten vormden voor de protestantse gemeenschappen belangrijke kanalen van mondelinge communicatie, waarlangs het gedrukte woord aan de toehoorders werd toegelicht. Daarbij zullen vooral de kleinere vergaderingen door hun meer informeel karakter een wederzijds communicatieproces mogelijk gemaakt hebben. Bij dergelijke gelegenheden kon een voorganger makkelijk uit de Schrift voorlezen en konden de verzamelde broeders vervolgens overgaan tot een gezamenlijke bespreking.123 Het gebeurde zelfs dat aan de aanwezigen boeken werden uitgedeeld. De berouwvolle calvinist Willem Helwijck, die in het bezit gevonden was van verboden literatuur, bekende dat hij tien- tot twaalfmaal aanwezig was geweest op geheime vergaderingen. De laatste maal waren hem daarbij ‘boecxkens’ overhandigd.124
Een mooie illustratie van de interactie tussen het gedrukte en gesproken woord, de beeldende voorstelling en het gezongen lied vinden we in het Antwerpsch Chronykje, geschreven door een katholiek tijdgenoot. De auteur merkte op dat op zaterdag 29 juni 1566 wel 1.500 personen ter predikatie trokken en ‘s'anderdachs op den Sondach gincker noch meer met haar Psalm Boecxkens, ander met brieven ende met schimpighe Refereynen, Beelden, Schilderyen tegen de Misse, Paus, ende Geestelycheyt, om die aldaer te vercoopen [...] maer eer sy begosten te preecken songhen sy diversche duytsche Psalmen’.125 Hoewel op dat moment reeds de vrijheid van het Wonderjaar daagde, had ook in de periode van religievervolging het gezongen lied bijgedragen tot de verspreiding van de hervormingsgezinde ideeën.
Op 12 maart 1566 noteerde Godevaart van Haecht dat twee mannen uit de stad verbannen waren omdat ‘se op de hoecken der straten gesongen hadden goede scriftuerlycke liedekens, daer 't volck meer by gesticht werdt, dan by een misse te hooren; maer sy hielden voer seer quaet, omdat er niet af in haere coffer en quam’.126 Tussen de ter hore gebrachte liederen en refreinen en de drukpers bestond overigens een nauwe band. De straatventer die vliegende blaadjes en gedrukte liederen verkocht, was immers een vertrouwd element in de straten en op de pleinen van Antwerpen127, en in de stedelijke ordonnanties werden ‘quaede boeken en liedekens, suspect van heresie’ meermaals in één adem genoemd.128 De band tussen gedrukte voorstellingen en de drukpers is evident. Uit dit alles mag blijken dat de betekenis van de typografische sector en het gedrukte boek van groot belang is geweest voor de diverse reformatorische stromingen die zich in Antwerpen manifesteerden. Door de verbindingslijnen die er bestonden tussen geschreven, gesproken en beeldende cultuur reikte de invloed van de protestantse drukwerken verder dan diegenen die bij machte waren ze te kopen en te lezen.
Ten slotte mogen we stellen dat in het zestiende-eeuwse Antwerpen diverse niveaus en kanalen van communicatie functioneerden. De mooie uitspraak van Fernand Braudel geldt bij uitstek voor een kosmopolitische stad als Antwerpen: ‘Les villes sont autant de transformateurs électriques: elles augmentent les tensions, elles précipitent les échanges, elles brassent sans fin la vie des hommes.’129 De rederijkersgenootschappen, een sterk uitgebouwd onderwijsnet en het gedrukte boek vormden belangrijke elementen in het culturele landschap. Het is evident dat niet alle lagen van de bevolking in gelijke mate toegang hadden tot de dragers van het culturele leven. In een stimulerende bijdrage heeft Herman Van der Wee beklemtoond dat de economische expansie die onder leiding van de Antwerpse wereldhandel in de zestiende eeuw werd gerealiseerd, leidde tot een aanwas van de stedelijke middenklasse. Door haar toegenomen welvaart kon die middenklasse zich een degelijke scholing veroorloven. Het grote aantal particuliere lekenscholen in Antwerpen en de expansie van de boekdrukkerij waren exponenten van het geestelijke emancipatieproces dat zich in de verruimde middenklasse voltrok. Hugo Soly rekent kleine ondernemers, ambachtsmeesters en handelaars tot deze stedelijke middenklasse. Het was bij uitstek deze bevolkingslaag die de manschappen leverde voor de schuttersgilden en de wijkmeesters. Het sociale oproer dat in 1554 in de Scheldestad uitbrak, toonde aan dat deze middenklasse zich van haar eigen positie bewust was. Zij zette zich af tegen het monopoliestreven van een grootindustrieel als Gilbert van Schoonbeke, maar zij distantieerde zich evenzeer van de ongeschoolde arbeiders en de ‘arme ghemeynte’.130 De socioprofessionele gege-
vens die Jan Van Roey verzamelde voor de jaren 1584-1585, tonen de aanwezigheid aan van een ruime middengroep van welgestelden (zie tabel 1.3).131 Tegenover deze zelfbewuste en welgestelde middenklasse stond een nog veel grotere groep van eenvoudige ambachtslieden en onvrije arbeiders, door Alfons Thijs een arbeidersmassa zonder klassenbewustzijn genoemd. De textielarbeiders en de bouwvakkers hebben in Antwerpen wel geregeld stakingen georganiseerd om een beter loon af te dwingen, maar van een gecoördineerde en autonome volksbeweging was nooit sprake. Dit kon ook moeilijk anders, door de sterke compartimentering van de arbeidsmarkt en het arbeidsproces. Zowel de meesters als de arbeiders behoorden tot een van de vele ambachtsorganisaties en ze waren verspreid over een ontelbaar aantal kleinschalige werkplaatsen, waar vaak tegenstellingen heersten tussen meesters en gezellen, tussen gezellen en leerlingen en tussen vrije en onvrije arbeiders. Al deze factoren verhinderden de ontwikkeling van een collectief bewustzijn bij de talrijke arbeiders in loondienst.132
Herman Van der Wee en Hugo Soly benaderden de Antwerpse middengroepen vooral vanuit een sociaal-economische invalshoek. Uiteraard bestaat er tussen de sociaal-economische positie en het cultuurniveau geen volledig symmetrische verhouding. De cultuur en het algemene ontwikkelingspeil van een rijke koopman waren niet per definitie hoger dan die van bijvoorbeeld een schilder of een edelsmid. Dit neemt niet weg dat de mogelijkheden om deel te nemen aan bepaalde cultuurproducties, denken we maar aan het onderwijs en het gedrukte boek, in grote mate economisch bepaald waren. Een scherpe tegenstelling maken tussen een volkscultuur en een elitaire, geletterde cultuur lijkt voor het zestiende-eeuwse Antwerpen zeker niet adequaat.133 Alleen al het bestaan van ruime en ontwikkelde middengroepen maakt het hanteren van een dergelijke oppositionele tweedeling problematisch. Het is zeer aannemelijk dat deze middenklassen een soort intermediaire rol vervulden tussen de cultuur van het ongeletterde volk en die van de geletterde stedelijke elite. Reeds bij de bespreking van de rol van het gedrukte woord wezen we erop dat er duidelijke verbindingslijnen waren tussen diverse niveaus van communicatie en cultuur, zodat het onmogelijk is om waterdichte schotten aan te brengen in het culturele landschap. Daarom lijkt het ons eerder opportuun te spreken over verscheidene cultuurlagen of -niveaus, die op elkaar konden inspelen. Alfons Thijs toonde voor de periode van de Contrareformatie aan hoe de middengroepen een intermediaire positie innamen tussen de geestelijke en wereldlijke elite en de lagere volksklassen.134 Mijn onderzoek naar de verspreiding en de socioprofessionele rekrutering van het protestantisme zal in ieder geval rekening moeten houden met een dynamisch schema, waarin de stedelijke middengroepen een belangrijke rol vervulden.